Categorieën
Fictie

Winkeltje

Het winkeltje op de hoek had de beste toverballen. Van die glimmende kleine kogeltjes. Zilver vanbuiten, wit, rood, groen, bruin vanbinnen. Volgens Frank smaakten ze naar kindercola. Ik mocht nooit cola maar knikte altijd driftig als hij dat zei.
Dat er in het kleine donkere zaakje toverballen te koop waren, zouden we nooit geweten hebben als we er niet heen waren gestuurd door de moeder van Myrna om sigaretten voor haar te halen. Myrna was nieuw in de straat, ze was dit voorjaar bij haar nieuwe stiefvader komen wonen. Ze had een grote mond en was een jaar ouder dan wij, dus Frank, Joep en ik gingen altijd mee als ze ons vroeg.
Het winkeltje was klein en tot het plafond volgepakt. Je rook op de stoep al een muffe chemische lucht, van verf en oude kranten. Er waren nooit andere klanten binnen. We stonden op een kluitje voor de deur, wie durfde hem open te duwen en als eerste naar binnen te gaan? Ik niet, ik was niet het soort kind dat vooropging. Meestal was het Myrna die naar binnen liep en het schrille maar zachte winkelbelletje liet afgaan.
De eigenaar stond nooit in de winkel als we voor de etalage stonden te dralen, maar zodra we de deur openduwden en richting toonbank liepen, verscheen hij ineens vanuit het niets achter ons in een walm van sigarenrook. Hij stond altijd net iets te dichtbij. Wij hielden onze adem in, waardoor het geluid van de zijne extra opviel, hij ademde in langzame diepe teugen.
Behalve die laatste keer. Het was een lange hete dag in de zomervakantie. We stonden al zeker een minuut in de winkel. Frank was naar de toonbank gelopen, zijn neus tegen de snoepvitrine. Joep stond achter hem zenuwachtig heen en weer te wippen op zijn voeten.
“Als hij niet komt, dan kunnen we pakken wat we willen en er gewoon mee naar buiten lopen. Eigen schuld, dikke bult.” fluisterde Myrna in mijn oor.
Daarna was het stil. Ik herinner me nog goed hoelang die stilte duurde, en hoe het rook. Een intense geur die langzaam mijn neusgaten in trok. Het was de geur van verf, sigaren, kranten, zuurstokken en iets anders. Een beetje zoals de wc’s op school aan het eind van de week, of als vuilniszakken die te lang in de zon hebben gestaan. Het was vies maar ook op een vreemde manier intrigerend, ik kreeg er een kriebel van in mijn buik. De lucht kwam vanuit de ruimte schuin achter de toonbank. De andere drie knepen hun neus dicht en waren achter me gaan staan, dichter bij de winkeldeur. Voor het eerst ging ik voorop en keek achter het gordijntje. Eerst zag ik niets, maar toen keek ik omlaag en zag ik de grote schoenen met de punten omhoog, daarachter de benen in de grijze werkbroek en een stukje harige dikke blote buik. Myrna gilde en we renden achter elkaar aan de winkel uit, de deur achter ons bleef wijd open staan. Drie straten verder stonden we eindelijk stil om uit te hijgen. Frank stak een hand in zijn rammelende broekzak.
“Wie wil er een toverbal? Voor jullie zijn ze maar vijftig cent per stuk.”