Categorieën
Fictie

Windvlaag

Windvlaag

Een jongen van zestien zit met zijn hond bij een graf. Hij zit er al dagen, nachten, zonder onderbreking, hij vergeet te eten. Over het graf ligt dikke, losse aarde met verwelkte bloemen waar de kleur uit wegtrekt. Zoals die wegtrok tussen hem en haar. Zijn meisje voor altijd en toen niet meer. Nog voor ze hier lag. Nu ligt ze hier. Geen kruis, geen steen, ze ligt er net. Hij wil dat ze terugkomt, dat het niet waar is. Dat is wat ze zeggen, dat ze hier ligt, hij was er niet bij. Ze was niet meer met hem. Hij zat aan de keukentafel te tekenen, iets dat niet verder kwam dan wilde krassen zwart. Dat ze hier is gebleven, zeggen mensen die het weten, onder de grond, dus zit hij hier. Dagen, nachten en er gebeurt niets. Hevige vuurgevechten in oranjerood en paars bij zonsondergang, de hele nacht woeden draken rond het hek, hier is het stil. Alleen de hond staat op om een plasje te doen in de struiken en komt terug. Zijn maatje dat hij overal mee heen neemt. Zoals hij haar meenam, nog pasgeleden. Ze vlijt zich aan zijn voeten, op zijn voeten, houdt ze warm. Hij aait haar zachte vacht, haar warm levende lijf.
‘Komt ze nog?’ fluistert hij. De lucht trilt, de wind glijdt als een rilling over de graven, zachtjes om zijn schouders. In zijn hals, over zijn wangen en de tranen lopen. Voor het eerst sinds ze weg is, wordt zijn gezicht nat. Een waterval, een rivier, zijn huilen scheurt in de nacht en die valt stil. De draken schrompelen als kleine klontjes terug in hun holen, de omgeving donker als altijd en hij weet het niet. Wat zijn hoofd had bedacht om de pijn niet te voelen, lost op in het niets – hij weet alleen haar en dat het niet ophoudt. Het schreeuwen in zijn hart, het hongerend verlangen naar hoe het was. Dat er niet meer van haar over is dan een vlaagje wind in zijn hals.