Categorieën
Fictie

Wilgentak

In mijn eigen gelijk fietste ik bij mijn ouders vandaan. Sneller en sneller verwijderde ik me van hun stompzinnigheid. Ik hoorde mijn vader nog smalend roepen: ‘Vind je het huis wel terug? Wijsneus!’ Waarop ik nog eens op de pedalen ging staan. Sneller, sneller weg bij zoveel onbenul. Ze waren te kinderachtig om toe te geven dat ze er geen bal van wisten. Ik wel, honderd procent. Ik voelde geen angst, niet om te verdwalen, niet om alleen te zijn. Wel woede die zich mengde met euforie toen ik uit de verte mijn moeder hoorde: ‘Kom nou terug, misschien heb je een punt.’ Tuurlijk, ik wist zeker dat Napoleon niet klein was in zijn tijd. Engelse propaganda had hen bijna twee eeuwen later nog steeds in de greep. Nog harder spurtte ik bij hen vandaan.
Een moment van noodzakelijkheid voor mijn breuk met familie en vrienden. Geen voor en na moment zoals de dood van een geliefde of een ongeluk met de gasbrander die de huid verbrandt. Mijn gelukkige jeugd kabbelde gewoon voort; er veranderde niets. De herinnering is alleen blijven hangen omdat het gevoel dat ik toen ervaarde, zich later weer aandiende. Bovendien, al was ik nog maar twaalf of dertien, besefte ik dat het mogelijk, nee soms zelfs noodzakelijk is, om te breken en je eigen weg te kiezen.
Het ondenkbare heeft zich voltrokken. Bij ons thuis was debat over de actualiteit goed en mocht heftig zijn. ‘Je eigen kijk verrijkt zich door een andere,’ zei mijn vader. Alles was bespreekbaar en engagement werd aangewakkerd. Mijn ouders gaven zelf het goede voorbeeld en lieten het niet alleen bij praten. Zolang ik me herinnerde waren ze actief voor GroenLinks en trots verhaalden ze uit de oude doos over hun demonstratie- en PSP-verleden. Het doet pijn als ik aan de discussies uit mijn jeugd terugdenk. Wanneer ik bij gebrek aan argumenten overging op belediging, bleven mijn ouders met mij in gesprek. Verloren, maar je kon altijd weer verder. Nieuwe argumenten werden uitgewisseld, meningen soms bijgesteld. Zodra mijn ouders hadden uitgevogeld dat Napoleon echt niet zo klein was kreeg ik dan ook een ruim mea culpa. Mama maakte speciaal voor mij Rendang. Wanneer het zwijgen precies begonnen is, kan ik me niet herinneren.
Tijdens mijn studententijd konden we nog heerlijk botsen. De aanslagen in 2001 gaven genoeg aanleiding tot beschouwingen en mijn verwijt dat m’n ouders naïef waren over het islamisme werd door hen weggelachen. Humor die weldra verdween toen Pim Fortuyn gespreksonderwerp werd. De man raakte bij mij een snaar, maar ik was net als mijn ouders van mening dat hij onnodig polariseerde. Ik was op dat moment nog bang de waarheid onder ogen te zien en wendde mij voor raad tot papa en mama. Mijn twijfel ontmoette afkeuring. Ik kon er niet van slapen. ‘Rechtse praat,’ had mijn vader gezegd en de teleurstelling in mijn moeders blik achtervolgde mij de hele nacht. De lichtinval onder de door mijn moeder te kort ingenomen gordijnen door, de contouren van de kast en de bureaustoel, het was me allemaal zo bekend. Desondanks kwam mijn jongenskamer me minder vertrouwd voor.
Een moment van kentering, al veranderde er ogenschijnlijk niets. We praatten gewoon door, zelfs over politiek, maar niet over Fortuyn, de islam of immigratie. Toen de politicus enkele maanden erna vermoord werd, wilde ik niets liever dan naar huis bellen. Die avond zat ik op mijn studentenkamer en haalde talloze malen mijn moeders nummer in mijn Nokia-display tevoorschijn; bellen deed ik niet. Ik wilde mijn angst delen, getroost worden maar kon ik met mijn verdriet bij haar terecht? Tot diep in de nacht en de dagen en nachten erna heb ik gewacht. Gewacht en gewacht. Papa en mama konden toch weten dat ik aangeslagen was? Ze konden er toch op zijn minst naar vragen? Pas nadat Fortuyn begraven was, belde mijn moeder om te vertellen dat zij met papa een rondreis door China had geboekt.
Wie ben ik in de ogen van mijn ouders? De vraag was nooit eerde bij me opgekomen. Kerst 2004 veranderde dat. Het diner was bijna ten einde toen mijn zwager de ongeschreven regels schond. Hij doorbrak het taboe op politiek met een opmerking over de vermoorde Theo van Gogh. Had hij de dood misschien niet over zichzelf afgeroepen? Mijn vader reageerde als door een adder gebeten: ‘Hoezo, wat bedoel je?’ Met alle ogen op mijn zwager gericht mompelde hij iets van: ‘Nu ja, met die film, euh.. Submission, en dat beledigen van de islam.’ ‘En is dat een reden om iemand een mes in de rug te steken? Heb jij enig idee hoe onze rechtsstaat werkt?, onderbrak mijn vader zichtbaar boos mijn zwager. Ik greep mijn kans, we waren het weer eens, mijn vader en ik. ‘Precies’ riep ik. Dat er een vijfde colonne islamieten hier de boel denkt over te nemen. Ze zaaien angst en verderf met hun aanslagen in Madrid en ondertussen bouwen ze hier rustig godshuizen en scholen. Die wij nota bene subsidiëren ook.’ Eindelijk mocht de waarheid gezegd, ik ratelde door. ‘Zelfs Balkenende gelooft niet meer in integratie. Zo’n eigen identiteit is een gevangenis van achterstand. En ze blijven komen, in groten getale. Een grote bedreiging van de rechtsstaat, inderdaad.’ Ik keek triomfantelijk naar mijn ouders. Mijn moeder wendde haar hoofd af toen ik haar blik zocht. Mijn vader keek boos en verdrietig tegelijk en sprak na een eindeloze stilte zacht: ‘Eet je dessert op, jongen.’
Een dieptepunt in de relatie, maar ook na dit moment van afwijzing heb ik mijn best gedaan. Ik was toch dezelfde? Nog steeds vastberaden en bescheiden. ‘Dat maakt je dapper,’ zei mijn moeder. Onveranderd nauwkeurig, net als mijn vader. Samen hebben we in het verleden tientallen bouwpakketten in elkaar gezet. Ik hield van dezelfde dingen als vroeger en zelfs nu mis ik het schaken met mijn moeder, het wandelen met mijn vader die me wijst op valkruid, of welke zeldzame plant dan ook. Ik was toch niet mijn mening? Dat mijn ouders niet inzagen dat de islam ons de oorlog heeft verklaard, was treurig. Stompzinnig in de ban van multiculti-propaganda, ontkenden ze de waarheid. Ik wist beter, maar ze wilden er niet over praten. We spraken over koetjes, kalfjes en zeiden niets.
Bewijzen van mijn gelijk stapelden zich op. Imams die weigerden vrouwen de hand te schudden, bedreigingen aan het adres van hen die de profeet beledigden, boerka’s in de Nederlandse straten. Bij elk negatief bericht over de islam voelde ik woede, maar ook iets van euforie. Alle keren een kleine overwinning op mijn ouders. Het kostte me soms moeite om geen berichtje te sturen, maar ik hechtte nog aan het draadje dat ons verbond. Relaties breken zelden als een droge tak. Meer als een wilgenteen die geknakt, nog steeds hangt aan de bast. Trekken, draaien, heen en weer wrikken, zonder snoeischaar gaat het niet. Maar aan knippen dacht ik niet.
Het was een ogenblik van onachtzaamheid dat mijn leven op de kop zette in 2010. Een journalist van de lokale krant interviewde stemmers. Zonder veel na te denken zei ik dat ik op Geert Wilders ging stemmen. Geïnteresseerd informeerde de reporter naar de achtergrond van de keuze, waarop ik hem wees op de strijd van de islam tegen de westerse wereld en gaf wat voorbeelden over de onverenigbaarheid van de islam met de democratie. Tevreden met mijn korte betoog stemde ik in met het verzoek of hij een foto van mij mocht maken. De dag van publicatie was een voor en na moment op mijn werk, bij de badmintonvereniging en schaakclub, in mijn vriendenkring. De reacties varieerden van een vriendelijk verzoek om me te schamen tot uitbarstingen van pure haat over mijn xenofobie en racisme. Kennissen die niet meer groetten, collega’s die zich in bochten wrongen om niet met mij samen te werken, vrienden die niet meer belden. De enorme en gevarieerde respons had één grondtoon, die van afwijzing; op een paar steunbetuigingen via de krant na.
Familie gaat altijd voor, maar het was inmiddels al lang niet meer denkbeeldig dat de stilte tussen mij en mijn ouders voor altijd zou zijn. In mijn weken van eenzaamheid kreeg ik nog een verjaardagskaart, maar voor de jaarlijkse barbecue werd ik eenvoudigweg niet uitgenodigd. Alleen via mijn zus vernam ik over het wel en wee van papa en mama. Bekoeling in familierelaties gaat in gradaties; ook wij spraken geen woorden van betekenis meer. Slechts een keer heeft ze zich over de kwestie uitgelaten: ‘Begrijp je het dan niet, wil je het niet begrijpen? Papa en mama schamen zich voor jou.’
Ik moet mijn eigen weg kiezen. De zijlijn is geen optie meer, ik heb nog niets gedaan en al veel verloren in de strijd voor onze vrijheid. Nog eenmaal lees ik met tevredenheid mijn sollicitatie als raadslid voor de PVV. In de BCC voeg ik de mailadressen van mijn ouders toe. Ik weet het zeker, met deze daad verwijder ik me ver, ver bij hen vandaan.