Categorieën
Fictie

Westwaartse gedachten

28 november 1812. Mijn paard staat aan de grond genageld. De afgelopen paar maanden waren we op elkaar aangewezen en de meest vreselijke momenten hebben we samen beleefd. Deze hele bizarre tocht zijn we werkelijk geen moment van elkaar gescheiden geweest. Waar tijdens de gevechten het ene na het andere paard stierf, doodviel van uitputting of door ziekte werd geveld bleef mijn paard onverstoord door gaan. De afgelopen dagen moest ik het beest beschermen tegen regimentsgenoten die hem wilden stelen. Gisteren moest ik nog vechten tegen hordes uitgehongerde en verwilderde soldaten die van zijn vlees wilde proeven. Maar op dit moment verzet hij geen stap meer. In de verte zie en hoor ik nog net de laatste ruiters van mijn regiment het bos intrekken, de zon weerkaatst op hun borstplaten. Ik hoor het geschreeuw, staal van sabels die tegen elkaar kletteren en een verdwaald schot van de voorhoede die contact maakt met de eerste Kozakken. De strijd om de westelijke oever van de Berezina is duidelijk begonnen, maar zonder mij.

Vanochtend toen we als één van de eerste de noodbruggen over de rivier overtrokken, leek de lucht nog gevuld met energie. Energie waar je moed en kracht uithaalt, een gevoel dat we weer op de goede weg waren. Mijn paard leek dit gevoel ook te beleven en stapte in een mooie draf voorwaarts. Samen leken we even met de gedachte te leven op weg naar huis te zijn maar we hielden onszelf voor de gek. We gingen niet naar huis, de strijd was nog niet gestreden en het einde van deze mislukte veldtocht was nog lang niet in zicht. Wij waren met het 14e Regiment Kurassiers, de zware cavalerie, juist als eerste over die brug gestuurd om de overtocht te dekken van alle anderen die nog na ons zouden komen. Om de terugtocht of definitieve afgang van Napoleon veilig te stellen. Als laatste stormram de weg naar het Westen open te breken voor het verslagen Franse leger. De wanhopige blikken van de pontonniers die om de brug in goede staat te houden met half ontbloot lichaam tot aan hun middel in het ijskoude water stonden zeiden genoeg. Hun gevecht tegen de tijd en de koud duurde nu al bijna twee dagen en was nog in volle gang. De hele nacht hadden ze gewerkt aan de bruggen en velen van hen waren daarbij verdronken in het kolkende water of waren bezweken aan de vrieskou. Ook ons wachtte opnieuw een wanhopig gevecht maar hopelijk wel één van de laatste op weg naar huis.

Op het moment dat we ons in slagorde opstelden en het sein voor de aanval werd gegeven bleef mijn paard vastberaden in de ijskoude Russische sneeuw staan. Hoe ik nu ook trek aan de teugels of mijn hakken in zijn flanken duw, hij verzet geen stap meer. Ik heb geen andere keus dan te voet verder gaan in de richting van de geluiden van het slagveld. Even komt de gedachte in mij op om net als mijn paard de strijd definitief te staken en mij over te geven aan de Russische winter. Gewoon mezelf laten vallen in de glinsterende sneeuw en dromen dat die ijskoude striemende oostenwind mij mee naar huis voert. Dat mijn geest verder naar het Westen waait, terug naar de Betuwe. Terug naar Rosalie die daar in dat kleine dijkhuisje op mij wacht. Mijn gedachten dwalen af naar afgelopen oktober toen de aankondiging van ons huwelijk gedaan moet zijn in het kleine kerkje van het dorp. De brieven die ik van Rosalie ontving met daarin gedetailleerde beschrijvingen van de dagelijkse beslommeringen, hielden mij de afgelopen maanden in leven. De zorgvuldig gekozen en geschreven woorden van mijn Rosalie, die leert schrijven van schoolmeester Jan Key, maakte mijn leed dragelijk. Na het weigeren van mijn paard lijkt de weg naar Enspijk voor eeuwig geblokkeerd. Ik blijf staan en staar naar mijn halfbevroren voeten, door tientallen lappen ingewikkeld tegen de onhoudbare kou. Ik voel de ijsvorming in mijn wimpers en ik knipper met mijn ogen om nog één keer om te kijken naar mijn paard. Het beest lijkt in een standbeeld veranderd en staat bewegingsloos voor zich uit te staren.

Ik besluit om door te lopen en niet meer achterom te kijken. Ik strompel door de metershoge sneeuw naar de steeds luidruchtiger wordende strijdgeluiden in het bos verderop. Tussen de bomen door zie ik paarden rennen, ik zie kleine rookwolken opstijgen boven de boomtoppen. Ik hoor geschreeuw en geroep van wanhopige soldaten. Het is niet te zien wat er precies gebeurt en waar mijn regimentsgenoten zijn. Wie schreeuwt of roept er? Het zijn de geluiden van een strijd om leven en dood. Ook al zijn de meeste mannen aan beide zijden uitgeput en bijna dood van de honger, dit laatste gevecht zullen ze leveren. Iedere keer lijkt het alsof het vechten tegen de elementen, honger en totale uitputting, moet worden afgesloten met een doodsstrijd tegen de steeds uit het niets opdoemende vijand. De spookachtige Kozakken die overal tegelijk verschijnen en net zo snel weer verdwijnen. Zelden wordt er strijd gevoerd op een slagveld, man tegen man. Altijd zijn die Russen er om mannen het laatste zetje richting de eeuwige velden te geven. Op het moment dat je bijna neervalt van de honger of verblind wordt door de sneeuw, doemt er weer een Kozak op om je nog een keer voor je leven te laten vechten. Je overgeven kan ook, maar dan zal je als gevangene een nieuwe dodentocht naar Siberië moeten maken, ontdaan van al je bezittingen, kleding en vernederd tot op het bot op weg naar een onbekende bestemming steeds verder Oostwaarts en verder van huis.

Velen van mijn lotgenoten hebben nooit een keuze tussen strijd of overgave kunnen maken. Ze bleven achter in het kaalgevreten winterlandschap, hun bevroren lichamen vormen een lange en spookachtig spoor van Moskou naar hier. Ik loop door om mijn strijd aan te gaan. Het lijkt even alsof ik weer op de dijk loop, thuis in Enspijk. De slingerende weg door het dorp, het kruispunt bij de kerk omringd door de hoge notenbomen die meedeinen in de wind. Bij de dorpspomp zie ik Rosalie staan met haar lange donkere haar. Een glimlach op haar gezicht en haar stralende bruine ogen. Heel even voel ik hoe mijn lichaam zich opwarmt aan deze gedachte. Totdat een afgrijselijke schreeuw mij terugbrengt aan de oever van de Berezina. Een Kozak doemt op en rent in volle galop op mij af, zijn speer naar voren gericht. De sneeuw waait als een witte wolk om de ruiter heen waardoor het een spook lijkt dat op mij afrent. Ik sluit mijn ogen, laat mijn sabel vallen en hoor een knal.