Categorieën
Fictie

Wederzien

°
In het station van Antwerpen-Centraal schijnt de zon langs de ramen schuin naar binnen. Als een stille dief die de duisternis steelt uit de harten van de voorbijgangers.
De voorbijgangers die de zonnestralen zo voorbij lopen. Met hun hoofd al bij hun bestemming die ze niet eens vandaag zullen bereiken. Gedreven door de geluiden van gehaaste voetstappen die klinken als een op hol geslagen metronoom. Je kan er geen maat meer in houden, struikelt over de stappen van je voorganger en gaat dan gewoon verder.
Ze zitten met hun hoofd al bij hun bestemming. Verdrijven de reis met een hoop geluiden om niet te hoeven denken. Niet denken aan obstakels en vertragingen, doorgaan. Geen tijd voor verwondering. Ze lopen de zonnestralen zo voorbij.

Zij zit er muisstil. Op een bankje tegen de muur kijkt zij wat dromerig voor zich uit. In haar ogen een blik alsof je net een wolkje melk in je koffie hebt gedaan. Ze is even niet in deze wereld en ziet dus de zonnestralen niet, maar in haar wereld gebeurt iets wat minstens even adembenemend is.
Zij droomt. Met haar blik op oneindig en een wolkje melk in haar donkerbruine ogen.

Het avond. De avondzon werpt haar laatste stralen op haar gezicht. Zij absorbeert de warmte, terwijl ze wacht. Ze zit te wachten. Weet wel wanneer hij zou komen, maar dat is de vraag niet. De vraag is of hij wel zal komen. Zij wacht, daar op het bankje. Haar blik dwaalt over de gezichten. Haar blik vangt andere blikken, maar die zijn niet van hem. Ze vangt verstrooidheid, opluchting, haast, leegte en wanhoop. Van mensen die respectievelijk nog tijd hebben om hun trein te halen, net op tijd opstappen, waarschijnlijk te laat gaan zijn, geen idee hebben wat ze hier doen en niet weten waar naartoe.
Ze vindt het hartverscheurend. De mensen die verloren rondlopen in het station. Mensen die niet weten welke trein ze moeten nemen om op weg te raken.
Maar zij kan hen niet helpen. Zij is aan het wachten.
Hij zal er weldra zijn.
Hij zal komen.

Voor het eerst merkt ze het. Het is niet koud, maar ze beeft. De woorden in haar hoofd zitten ver op de achtergrond en ze kan er niet meer aan. Ze siddert van verlangen en gemis.
De woorden verdrong ze na duizend keer zo ver weg dat ze nu onbereikbaar zijn.
Ze denkt aan hem, het nakende terugzien. Ze voelt zichzelf bevriezen, is doodsbang, want dat is niet wat zij wil voelen als zij hem terug ziet.

Haar blik springt steeds schichtiger tussen de gezichten die in haar gezichtsveld gevangen zitten. Zij moeten allemaal blijven. Hij moet er gewoon tussen zitten. Of wil ze gewoon niet alleen zijn?
*
Hij ligt op bed. Het drukt op hem, de nakende ontmoeting. Alleen hij kan beslissen hoe dichtbij die is. Als hij rechtstaat en de deur achter zich toe trekt dan zal die dichterbij zijn.
Als hij de avond in stapt en door de straten dwaalt dan zal die dichterbij zijn.
Toch licht hij daar nog steeds op bed. Vindt hij de wil? Vindt hij een goede reden om op te staan en de deur uit te gaan?
Is zij genoeg?
Hij is er vrij zeker van dat zij zal zitten wachten. Hij weet evengoed dat zij daar lang zal zitten wachten, maar niet voor altijd. Ook zij zal de laatste trein nemen en terug op weg gaan.
Hij wil niet dat ze wacht op hem. Want wat als hij beslist niet te gaan?

Hij zal gaan, maakt hij zichzelf wijs. Zittend op de rand van zijn bed. Starend naar zijn voeten die hem naar haar toe kunnen brengen.
Hij staat tergend langzaam recht, wandelt even langzaam richting de deur en trekt die dan zacht achter zich dicht. Een dof geluid dat niet verder dan de grijze drempel draagt.
Daar voor de drempel blijft hij staan. Bevangen door de beslissing die hij net heeft gemaakt. Hij zoekt steun bij de deur, laat zijn hoofd rusten tegen het warme hout. Hij kan nog terug gaan. Dan is er helemaal niets gebeurd, alles wordt weer normaal.

Als hij toch gaat. Als hij toch toekomt in het station. Zal zij daar zitten wachten op hem en hij zal heel even gewoon kijken. Kijken hoe zij wacht op hem. Met dat wolkje melk in haar koffiebruine ogen. Zij droomt zo heerlijk mooi. Zie haar daar zitten. Ze straalt niet alleen verwachting vermengd met twijfel uit, maar ook schoonheid. Zij is puur. Terug zoals vroeger. Dat wou hij zien. Het trekt hem naar haar toe en toch twijfelt hij.
Zijn de scherven al genoeg gesleten? Zullen ze elkaar geen pijn doen aan elkaars scherpe randen. Als ze dan gaan bloeden, zullen ze het dan samen doen?

Ergens wil hij wel bloeden voor haar. Voelen wat er te voelen valt. Ervaren, meeleven en leven. Dat konden ze vroeger ook. Ze konden naast elkaar bloeden en dan ook weer genezen. Het was oké. Ze waren er gewoon. Naast elkaar en bij elkaar.
Nu lijkt de afstand tussen hen groot al staat hij gewoon verscholen in de drukte in een hoek van datzelfde station waar zij zit te dromen en wacht.
Nu zijn ze allebei aan het bloeden, maar ze zitten niet naast elkaar. Ze zijn niet bij elkaar. Elke vezel in hem wil bij haar genezen. Maar hij weet niet of hij het ook zonder haar kan en wil niet afhankelijk zijn. Hij twijfelt, verschuilt zich in de menigte en bloedt nog even alleen verder.
°
In haar ooghoeken voelt ze verandering en haar gezichtsveld verruimt zich. Daar staat hij. Hij is gekomen. Ze vecht tegen de vrieskou die zich tergend traag omhoog werkt in haar lichaam. Ze wil warmte voelen. Ze wil open staan voor hem.
Hij komt dichterbij. Nu is zij gevangen. Zij staat in zijn koplampen en is verblind. Ze kan haar blik niet meer losmaken van hem.
Al wil ze zo graag naar hem toe rennen, ze blijft zitten. Bang om haar steun te verliezen en onderuit te gaan. Bang om hem af te schrikken.
Ze ziet twijfel in zijn blik. Hij weet niet of hij hier wel wil zijn. Toch is er ook verlangen te zien aan de randen van zijn warmbruine irissen.

Het is een prachtig, maar ook pijnlijk schouwspel in zijn ogen. Zij blijft toekijken omdat ze vergeten was hoe zijn ogen eruit zagen. Ze vindt er opnieuw herkenning. Al zo lang was ze op zoek en nergens vond ze diezelfde soort. Het bleef een onvervuld verlangen, een leegte die ze met niets anders vullen kon.
Nu is daar die herkenning terug en ze voelt een sprankeltje warmte in haar bevroren lichaam.

Wanneer hij binnen haar bereik is, staat ze langzaam recht. Nog steeds is ze bang om hem af te schrikken. Ze kijkt bang, onzeker naar hem en krijgt dezelfde blik terug. Maar dat is oké voor nu.
Ze blijven even voor elkaar staan. Afwachtend. Voelend of het geen vergissing was. Je zou je adem inhouden als je er naar stond te kijken.

En dan neemt hij haar vast. Omsluit haar in zijn armen. Ze laat hem doen. Ze laat hem toe. Nog niet ontdooit, maar warmer dan ooit tevoren.
Voorzichtig sluit ook zij haar armen om hem heen. Niet dwingend. Voorzichtig, maar toch stevig. Ze ademt hem in, voelt hem, hoort zijn bestaan. Zij voelt hem zijn en dat is genoeg voor haar. Het klopt nog.

Ze hoeven nog niets te zeggen. De stilte wordt perfect gevuld door hun aanwezigheid. Het hoeft niet meer te zijn of ze zullen overweldigd worden. Dan zullen ze misschien vluchten.

Nu bloeden ze heel zachtjes, maar samen. Ze zijn voorzichtig, vermijden nog even de scherpe randen die ze toen achterlieten bij elkaar.

Dan neemt hij haar iets steviger vast, alsof hij bang is dat ze uit elkaar zal vallen. Hij streelt haar levendige haren met een tederheid waar een toeschouwer kippenvel van zou krijgen.
Deze keer bevriest zij niet. Ze beantwoordt hem, neemt hem iets steviger vast.

“Bij mij kan je altijd thuiskomen, altijd”, fluistert hij zachtjes in haar haren.
Ze laat een zachte snik van tussen haar lippen ontsnappen. Samen huilen ze. Om de tijd waarin ze dwaalden. Om de tijd dat ze geen thuis konden vinden. Om de warmte die ze nu terug bij elkaar kunnen ervaren.

Geen verschroeiende hitte zoals daarvoor, maar een gezellig haardvuur waar ze samen kunnen zitten en waaraan ze zich kunnen warmen als de wereld rondom hen net iets te kil wordt.