Categorieën
Fictie

Wat samenwonen is

Ik weet nog dat de kast kwam. Toen hij eenmaal op zijn plek stond – vier luidruchtige, zwetende mannen hadden er een uur over gedaan – gingen we ervoor staan. De vlakken van de kastdeuren waren weelderig versierd met organische vormen. Vakwerk. Ik dacht: Het is een mooie kast, met een verhaal, maar voor dit huis is hij te groot.
Dat laatste durfde ik Rosa niet te zeggen.
Voordat ik naar de keuken liep, haalde ik mijn hand langs het eiken blad, het vernis was er op rechterhoek af.
We dronken koffie en we keken naar de kast alsof we nu met z’n drieën woonden. Ze wilde boeken in de vitrine. Ik dacht: Dit is wat samenwonen is.
‘Wel veel moeite,’ zei ze, ‘zo zwaar, en dan helemaal vanuit Friesland.’ Maar toch was ze er blij mee.
‘Ondanks alles, David, ondanks alles,’ zei ze.
’Je hebt gelijk,’ zei ik, ‘de kast is sfeervol, past bij het huis’. Ik dacht: hij past bij haar, dus bij ons. Een warme gloed trok door mijn borstkast.

De dag erna was het weekend. Zaterdags had ik nooit echt iets te doen, dus haalde ik de verhuisdozen met boeken van de zolder.
´Ik ben alvast aan het inruimen!´ riep ik toen ik haar binnen hoorde komen.
Sascha keek me aan vanuit zijn mand. De bordercollie zuchtte, een zacht verzet tegen de rust die hem werd afgenomen.
Rosa stond op de drempel van de schuifdeuren tussen de gang en de woonkamer. Haar haar zat een beetje wild en ik rook een sterke lichaamsgeur. Ze keek dwars door me heen naar de kast.
´Gesport?´ vroeg ik.
´Nee, koffiedrinken, met Jessica. Hoe vaak moet ik jou iets zeggen voor je het onthoudt?´
Ze liep naar de kast en raakte die aan zoals je een kind bij de schouder pakt zonder bepaalde reden. Alsof de kast statisch was, trok ze haar hand in een reflex terug.
Ik pakte een boek en wilde het op de plank van de vitrine zetten.
´Denk je echt dat ik dat soort boeken wil in een au-then-tieke Art Nouveau kast? Meer dan honderd jaar oud! Jij snapt het niet! Jij snapt mij niet!´ Ze trok een gezicht alsof ze net iets heel vies had gegeten.
Ik zuchtte en legde het boek, een thriller in pocketuitgave, terug in de verhuisdoos.
´Ik ga Sascha uitlaten,´ zei ik.
´Ja, doe dat!´ schreeuwde Rosa.
Begrip tonen, zei ik tegen mezelf. Vóór alles, begrip tonen.

Ik weet ook nog waarom – nou ja, waarom? – de kast kwam.
Bijna een jaar geleden waren we in haar ouderlijk huis. Een groot, wit herenhuis aan een gracht in Leeuwarden. We hadden net haar vader begraven. Haar moeder was al overleden voordat ik Rosa had leren kennen. Hij had eerder moeten gaan, vond Rosa.
De kast had in de grote keuken gestaan. We hadden er even voor gestaan, als bij een eerste kennismaking – ongemak, niemand die iets zegt.
In huis was het doodstil geweest, de receptie in het uitvaartcentrum nog in volle gang.
Toen was Rosa opeens begonnen met vertellen. Dat de rand van de buffetkast het laatste was dat ze aanraakte op weg naar de bijkeuken. Het hout dat zacht en warm aanvoelde. Daar de hoek om, kijk hier, David, overal die witte tegels, de steriele geur van bleek en wasmiddel. Dat haar vader er altijd voor zorgde dat de wasmachine aan stond wanneer Rosa met hem mee moest.
Het was plotseling begonnen, na haar communie. Eén keer weigerde ze. De huid van haar onderrug had pas na zes weken zijn normale kleur weer terug. Niemand kon de beurse plekken zien, ook niet met schoolzwemmen. Zelfs daar had hij over nagedacht!
Daarna weigerde ze nooit meer. Met de jaren sleet het vernis op de rand, als de voet van een heiligenbeeld.
Lange tijd had ze zich voorgehouden dat het misschien zo maar weer zou ophouden.
En toen, in die bijkeuken, had ze gezegd – opgewekt, opeens – dat de kast het enige was dat ze zou meenemen. Ze hoefde niets, geen spullen, geen erfenis, niks. Alleen de kast. En we zouden proberen een kind te krijgen. Nu echt. Ook al moest het met hulp. Nu wist ze het zeker.
Ik had al die tijd naar haar geluisterd. Echt geluisterd, niks gezegd.

Vandaag de afspraak in het ziekenhuis voor de start van een IVF-traject. Dat is hoe dingen kunnen gaan.
Vanmorgen zochten we naar manieren om de tijd door te komen.
Ik wilde Sascha uitlaten. Ik stond in de gang met mijn jas al aan en keek naar Rosa die met haar rug naar mij toe bij de kast stond. Ze schoof de la dicht, leunde tegen de rand.
‘Als jij nou nog even boodschappen doet, David’, zei ze, ‘hebben we vanavond iets lekkers te eten als we thuis komen. Dan laat ik Sascha wel uit, hè.’
Rosa zei nooit hè in een zin.
Ik zei dat het oké was, gaf haar de hondenriem, pakte een boodschappentas en liep de deur uit.

Toen ik terugkwam zat Rosa op de bank, op de rand, alsof ze zo weer weg kon gaan. Sascha lag in zijn mand. Hij keek niet op.
Rosa omklemde stevig de hondenriem met haar beide handen en zei: ‘Je raakte teveel aan hem gehecht, David. Je deed alsof het een kind was. Wij kunnen geen kinderen.’ Haar zin was wel en niet af.