Categorieën
Fictie

Waren wij maar verliefd

Waren wij maar verliefd

“Soms moet je de mensen verrassen van wie je houdt,” zeg je. De motor van je KNAAP-brommer draait nog. Je draagt een gele overall en grote witte gympen. Je donkerblonde haar hangt over je rug. Nonchalant, kalm, alsof het daar even uitrust voor de volgende reis. Ik kijk je vragend aan.
“Wat bedoel je?”
“Pak je spullen, we gaan uit logeren!”
Meer zeg je niet, maar dat is ook niet nodig. Ik pak alleen het hoognodige: schoon ondergoed, tandenborstel, shampoo. Hoe lang we gaan, of hoe ver, dat doet er niet toe, ik ga toch wel mee.
Je trekt me achter op de brommer en daar gaan we. We rijden veel te hard, zelfs in de nauwe stadsstraten rem jij niet af. Soms trap je ineens keihard op rem. Een toerist gilt, de Amsterdammer scheldt je uit voor klotewijf. Je lacht en geeft weer gas. Ik kijk niet naar het verkeer, maar naar de mensen om ons heen. Ze hebben geen idee hoe het is om jou te kennen en ik heb ineens medelijden met ze. Zie ze nou, die arme stakkers, ze hebben geen idee.

Ik weet nog dat jij me voor het eerst zag. Je was niet bij de hospiteeravond, dus was dat pas een maand daarna, toen ik het huis introk. Pim had me afgezet, maar hij was druk, dus ik was alleen de dozen aan het uitpakken en aan het vloeken op al m’n spullen en het feit dat ik niet zo’n Marie Kondo-type was. Ik zeg dat jij mij voor het eerst zag, in plaats van andersom, omdat het zo voelde. Je leunde tegen de deur, maar ik had pas na een tijdje door dat je naar me stond te kijken. Ik schrok, jij lachte, kwam met een soepele beweging los van de deurpost en liep met grote stappen op me af.
“Lukt het allemaal, kip?” zei je.
“Hm, neh, mja.” Ik kwam meteen al zo lekker uit m’n woorden.
Met één beweging ritste je de ducttape van de doos die het dichtst bij je stond en haalde er verrukt iets uit. “Dit is fan-tás-tisch!” riep je, met in je hand het kerstbeeldje dat ik ooit had opgeduikeld op een rommelmarkt. Zó afzichtelijk, dat ik er meteen van had gehouden. M’n moeder noemde mijn smaak altijd zwerver-chique. Rotzooi dus, zei m’n vader. Ik werd vrolijk van alle dingen die ik had verzameld op reizen en in kringloopwinkels, ook al zag ik heus wel dat het voor geen meter bij elkaar paste. Je zette het beeldje voorzichtig op de grond en dook weer in de doos. Ongegeneerd graaide je door mijn spullen, pakte alles op, bekeek het van alle kanten en zette het dan neer. Je maakte een “fantastisch” en een “absoluut fokking fantastisch”-stapel. Ze werden allebei even groot. Je vertelde me ook waar ik alles moest neerzetten. “Die koe-klok moet op je nachtkastje, sowieso. Dat is echt het beste wat ik in tijden heb gezien. Beloof me dat je hem op je nachtkastje zet!” zei je.
Ik kan niet zeggen dat je echt hielp, maar ik kan wel zeggen dat dat het moment was dat ik me thuis voelde aan de Korte Leidsestraat.

We rijden naar het Centraal Station en draaien dan de brommer op de pont.
“Het is een avontuur!” joel je. Je houdt je vuist omhoog in de wind. Alsof we niet maar vijf kilometer per uur gaan. Alsof we deze tocht niet al zo vaak gemaakt hebben. Pre-corona gingen we naar feesten op de A’DAM toren, zoals die keer dat je regelde dat we op een kameel mochten rijden die was meegebracht ter promotie van een groot sigarettenmerk. Ik lach en steek ook mijn vuist in de wind. “Avontuur!” roep ik, en zo voelt het ook. Jij en ik zijn altijd op avontuur. We hebben niemand anders nodig. Samen op reis door Frankrijk, in lekke tenten en elke avond stokbrood met jam omdat we blut zijn. In het bruine café om de hoek, waar we de enige vrouwen zijn en ons de hele avond laten trakteren. In de collegezaal, tijdens het enige vak dat we allebei volgen, waar ik in jouw schrift teken en jij in het mijne. Voordat ik jou kende ging ik veel vaker naar college. Maar nu leer ik net zoveel, meer zelfs, vind ik.

We stoppen voor een brugwachtershuisje. Ik ben hier waarschijnlijk al tientallen keren langs gefietst, maar dit is de eerste keer dat ik het zie. Het is een vierkant, betonnen gebouw, pal naast het IJ, dat eruitziet alsof iemand betonnen platen aan elkaar heeft geplakt met secondelijm.
“Tadááá!” roep je, en je springt van de brommer. “Hier slapen we vannacht!”
Je kijkt me verwachtingsvol aan.
“Het is zo lélijk!” zeg ik. En dan: “Ik vind het fantastisch, kip.”
“Ja hè? Is het niet zóóó fantastisch?” Je pakt m’n handen en zwaait ermee in het rond. “Ik wíst dat jij het ook zou zien. Jij snapt het altijd. Dit is een verrassing voor jou lieve Kaar, omdat je soms lieve dingen moet doen van de mensen van wie je houdt. Vind je niet?”
Voor ik kan antwoorden heb jij je alweer omgedraaid. Je pakt je weekendtas van de brommer en doet een gekke sprong terwijl je naar de trap loopt. Die moeten we op om binnen te komen. Jij gaat eerst, haalt de deur van het slot en slingert je tas naar binnen. Dan pak je mijn tas aan. Ik volg je de trap op. Het huisje is sober ingericht. In het midden staat een groot bed, aan beide kanten een klein nachtkastje en bij de ingang een tafel voor twee. Aan alle kanten zijn ramen. Aan de ene kant kijken ze uit op het IJ, aan de andere kant op de straat. Ik lach breed. Terwijl ik mijn shampoo, tandenborstel en ondergoed wegleg, roep je af en toe iets naar me. “Kaar, heb je dit gezien?” “Moet je kijken!” “Dit is zó tof!” Als ik de kamer weer inloop, zeg je: “Hier moeten we op proosten!” Je pakt je weekendtas en gooit hem op het bed. Dan haal je er een fles prosecco en twee glazen uit. Je doet het raam open, en laat de kurk naar buiten knallen. Ik film je met mijn telefoon, zoals je dunne schouders scherp afsteken tegen het licht, je gele overall een verkeerslicht op een doorgaande weg. Ik film hoe je schuddend van het lachen terugkomt met de champagne die op het grijze tapijt druipt. Je schenkt twee glazen in en roept: “Proost, because I love you!” We klokken de champagne in een keer weg, schenken nog een keer in en drinken dat íets langzamer op.

We zouden iets kunnen gaan doen, maar we besluiten gewoon hier te gaan zitten en naar buiten te kijken. Je leest me voor uit een notitieboekje, waarin je speeches schrijft aan mensen die je bewondert of haat. Soms schrijf je ook een speech aan mij, en die lees je dan voor. Ik word daar altijd stil van. Dat één iemand zoveel rake woorden in zich kan hebben, dat wist ik niet. Woorden die alle mogelijkheden uit het woordenboek schreeuwen, of juist zachtjes eromheen tippelen, als een kat op kousenvoeten. Terwijl je praat kijk ik naar jou, lees ik hoe de zon ondergaat. Een roze gloed valt op je haren, dan paarsig, donkerblauw. We drinken nog meer wijn en er vallen harde schaduwen op je gezicht. We hebben het licht niet aangedaan en de fletse buitenverlichting omlijnt je kleine neus, dunne lippen, lange nek. De overall is van je schouder afgegleden. Ik kijk naar je sleutelbenen en daaronder, je kleine borsten. Ik vraag me af wat ik het mooiste vind met jou: de ochtenden, de avonden, of juist alles ertussenin? Ik weet het niet, maar ik weet wel: dit zijn de dagen. Ze komen nooit meer terug. Te vaak heb ik in bed gelegen en bedacht dat ik jou een speech zou schrijven. Een mooie, waardoor er tranen in je ogen komen en je weer zou zeggen: “Waren wij maar verliefd.” Je bent opgehouden met lezen en kijkt me vragend aan. Misschien heb ik al heel lang niets meer gezegd. Dat zou kunnen. Ik weet ook niets meer te zeggen. Ik reik naar voren, neem het bandje van je overall tussen twee vingers en schuif het naar boven. Ik zie hoe je eerst nog lacht, me aankijkt, en stopt. Ik leun naar voren. Ik werp een schaduw over jouw gezicht. “Wat doe je?” zeg je, terwijl je naar achteren leunt. Je kijkt verward. Dit zijn de dagen, wil ik zeggen. We hebben lang genoeg gewacht.