Categorieën
Fictie

Wanneer de aarde trilt

Wanneer de aarde trilt
Als ik de ramen open doe, zie ik ver beneden mij de zee. De altijd blauwe zee, meestal vreedzaam, soms gevaarlijk door een storm. Vandaag wordt ik 18, dit ga ik vieren door met vrienden en Gisha te gaan surfen. Normaal doe ik dit alleen met mijn vrienden, maar omdat het mijn verjaardag is, wilde Gisha mee. Gisha is al twee jaar mijn vriendin, toch heeft ze nog nooit met mij gesurft. Ze zegt altijd, “Water is vies, er varen schepen in en er zwemmen vissen in. Die glibberige beesten hoef ik niet in mijn buurt.”, Ik zeg dan altijd dat de vissen banger voor haar zijn dan zij voor de vissen, maar toch wilde ze nooit. Tot vandaag
Als ik mijn spullen wil pakken begint mijn telefoon te trillen, ik kijk en zie dat ik gebeld wordt door Gisha. Ze vraagt of ik er al bijna ben, zelf is ze er al bijna. Ik antwoord dat ik me verslapen had en dat ik er zo snel mogelijk aan kom. Nadat we even hebben gepraat over hoe mooi het weer is en uitgedrukt hebben hoeveel we van elkaar houden, hang ik op. Snel loop ik naar mijn kamer en gooi ik mijn surfkleding in de tas die ik vorig jaar van mijn vader voor mijn verjaardag gekregen had.
Als ik de garage in loop, begint de grond onder mijn voeten te trillen. De kasten vallen om en het autoalarm gaat af. Ik val en voel een enorme steek in mijn linkerbeen. Als ik naar beneden kijk, zie ik dat een van de houten kasten zich door mijn linker kuit geboord heeft. Ik zit vast. Nadat ik een paar minuten, zonder succes, geprobeerd heb los te komen komt mijn vader binnen. Hij heeft tranen over zijn wangen lopen. Deze tranen doen pijn in mijn hart, niet alleen omdat mijn vader huilt, maar vooral omdat ik weet dat als hij huilt, er iets behoorlijk mis is. Ik kijk hem aan, terwijl ik dit doe vraag ik hem wat er gebeurt is. Zonder te antwoorden loopt hij naar de kast en zet hem rechtop. Wanneer ik mijn been weg probeer te trekken, merk ik dat ik geen gevoel meer heb onder mijn knie. Mijn vader tilt me op en loopt met mij in zijn armen weg uit de garage. Wanneer we de keuken in gaan, zie ik de reden dat hij zo van slag is. Het is mijn moeder. Ik zie alleen haar benen. De rest van haar lichaam licht onder de ingestorte overkapping in de tuin. Het besef dat ze overleden is komt enkele momenten nadat ik haar lichaam zie. Mijn vader zet me op een stoel en mijn ogen beginnen vol te lopen met tranen. Langzaam sluit ik mijn ogen.
Een paar minuten later doe ik ze weer open, vooral omdat mijn mobiel weer trilt. Gisha. Snel neem ik op en vraag ik of alles goed is. Ze antwoord dat ze op het moment van de aardbeving op het strand liep en dat ze daarom niet in heel veel gevaar was. Nadat ik Gisha vertelt heb over wat er in de garage gebeurt is, begint ze opeens te schreeuwen, “Oh god, de zee. Hij trekt zich terug”, roept ze in paniek. Ik roep terug dat ze daar weg moet gaan. Dan raak ik de verbinding kwijt.
Gisha
Zodra ik merk dat de verbinding met Vikasa weggevallen is, begin ik te rennen. Zo hard als ik kan in de richting van de hogere gebouwen. Toen het water terug begon te trekken stond ik ongeveer 200 meter van de boulevard waar de hoge gebouwen aan staan. Deze afstand moet ik dus overbruggen, wetend dat er elk moment een tsunami aan de horizon kan verschijnen.
Terwijl ik ren zie ik dat veel mensen raar naar mij kijken, dan besef ik dat al die mensen niet weten wat het terugtrekkende water betekent. Al deze mensen staan hier niks vermoedend na te praten over de aardbeving. Ik begin ze te waarschuwen. Rennend roep ik tegen hen dat er een tsunami aankomt. Als ze beseffen wat ik zeg beginnen ook zij te rennen. Rennen naar veiligheid.
Op het moment dat ik nog 20 meter moet, kijk ik achterom. Ik verstijf. De metershoge golf die mij tegemoet komt, klaar om alles wat op haar pad komt op te slokken, is nog hooguit een kilometer van mij verwijderd. Ik sprint de boulevard over en probeer me op te trekken aan het balkon van een restaurant. Op dat moment grijpt de golf me. Ik voel het water me meesleuren. Ik weet dat het voorbij is, het gaat niet lang duren voor ik verdrink of tegen iets aan gesmeten wordt. Alles schiet door me heen. Ik zie Vikasa, mijn ouders, zusje en broertje en als laats mijn opa en oma. Ik voel een steek in mijn lichaam. Alles wordt zwart.
Vikasa
Een verjaardag zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn. Elk jaar is het de dag waarop ik mijn linker been verloor. De dag dat veel van mijn vrienden en, nog pijnlijker, ook mijn moeder en vriendin overleden. Zo ver is het overigens nog niet. Op dit moment sta ik op de begraafplaats, waar mijn moeder zo begraven gaat worden. Het is pijnlijk om te weten dat je de ene vrouw waar je van houdt begraaft, terwijl de andere vrouw die ook zo enorm dierbaar voor je is, nog altijd vermist is. Waarschijnlijk meegesleurd de zee in. Gedoemd nooit meer gevonden te worden.
Aan het einde van de afscheidsceremonie geeft mijn vader een toespraak. De woorden die hij zegt, zullen mij altijd bij blijven. “Het moment dat de wrijving in de aarde te groot wordt, is niet alleen het moment dat de aarde zijn krachten laat gelden. Het is ook het moment dat er steden verwoest en levens beëindigd worden.”