Categorieën
Fictie

Waarom huilen

Zijn ogen opende. Bijna instinctief dartelde zijn blik van het plafond naar het raam. Donker. Hij had zijn ogen weer makkelijk kunnen sluiten, maar ging in plaats daarvan rechtop zitten. Een vlugge blik naar de wekkerradio vertelde hem dat het twaalf over drie was. Een vermoeide zucht. Na kort te overwegen of hij wat water zou gaan drinken of op zijn mobiel zou kijken, ging hij weer liggen. Ook nu sloot hij zijn ogen niet, wetend dat hij binnenkort toch niet weder in slaap zou vallen.

Hij wist niet wat hem overkwam.

Hij beschouwde zichzelf niet een emotioneel persoon. Anderen zouden zelfs zo ver gaan als hem harteloos noemen. Om familie gaf hij niet veel, om vrienden nog minder. Zijn gedachten sprongen rond in zijn herinneringen. Oma’s uitvaart, zijn eerste uitvaart. Hij mocht haar het meest van zijn grootouders. Goed eten, gezellige sfeer, en wat verwende zij hem toch. Nu lag zij in een kist, zat hij op een klapstoeltje, zijn voeten raakten nog net de grond aan. Om hem heen werd gesnikt en getreurd, maar hij huilde niet.

Een andere herinnering kwam boven. Een gezicht waar hij al lange tijd niet aan had gedacht, maar eentje die hij ook niet zou kunnen vergeten. Hij was net zeventien, zij al bijna achttien. Hij was stiekem plannen aan het maken om hun derde jaar te vieren, zij zag het niet meer zitten. Toen zij het hem vertelde, schoten honderd dingen door zijn hoofd. Zo onrustig als hij van binnen was, zo stil was hij van buiten. Hij staarde haar aan, zij wendde haar blik af. Lange tijd probeerde hij een kloppende zin in zijn hoofd te vormen, maar zijn gedachten werden onderbroken. “Zeg dan toch iets!” Frustratie. Een traan rolde over haar wang, maar hij huilde niet.

Een laatste herinnering werd bezocht. Een hond. Zijn herder. Ze was de beste. Dat zegt natuurlijk elk baasje, maar zij was het echt. Hij aaide haar zachtjes terwijl zij in slaap viel. Oud. Te oud. Hij knikte. De arts diende het spuitje toe. Hij keek omhoog, naar de arts, opzij, naar de deur, terug naar haar hoofd. Zo lief. Zo rustig. Hij voelde zich ongewoon verdrietig, maar hij huilde niet.

Een traan viel op het kussen. “Waarom,” sprak hij uit naar de duisternis. “Waarom zou ik nu huilen?”