Categorieën
Fictie

Vurige tongen

Vurige tongen

Notulen Nederlands Bijbelgenootschap, 15 juli 1856

‘Dinsdag jongstleden bereikte ons het droeve bericht uit Batavia dat de heer Lambert van Vliet, door ons uitgezonden naar de Bataklanden, op Eerste Pinksterdag is overleden. Zijn heengaan is een grote tegenslag voor onze missie om het goddelijke woord te verspreiden onder de heidenen in onze kolonie in de Oost. Hij heeft geen kans gezien de beloofde 243 handgeschreven Batakboeken vóór het noodlottige ongeval naar patria te zenden. Zij moeten dan ook als verloren worden beschouwd. Van Vliet was een erudiete taalgeleerde en een godvrezend man. Wij bidden voor zijn ziel.’

Ergens op de westkust van Sumatra

‘Godverdómme!’, spuugt Van Vliet terwijl hij met zijn hand op de ruwhouten tafel slaat. De inktpot naast zijn werkschrift wankelt gevaarlijk. In het schijnsel van de olielamp onder het strooien dak bekijkt hij opnieuw de vettige vlekken die zijn hemdsmouw ontsieren. Vervolgens valt zijn blik op de donkere streep op tafel die leidt naar de kleine olielamp naast zijn sigarendoos.

‘Min, Amiiiiin, kom hier en lekas!’, roept hij luid.

De oude Javaan komt geruisloos de werkkamer binnen.

‘Hoe vaak moet ik nog zeggen dat je die lampolie niet moet knoeien. Deze houten hut hier zit tot de nok toe vol met boeken van papier en hout. Of wil je verdomme soms dat we als varkens op deze brandstapel worden geroosterd?’

De man slaat de ogen neer en verlaat zonder een woord te zeggen achteruit schuifelend het vertrek.

Nachtvlinders verbranden hun vleugels aan de lamp boven de tafel en vallen op zijn schrift. Van Vliet slaat het dicht. Dikke zweetdruppels kruipen traag over zijn slapen. Een nieuwe aanval van malaria? Hij pakt zijn zakdoek uit zijn vest en veegt zijn hoofd af. De gitzwarte avond heeft dit keer geen verkoeling gebracht. Gewoonlijk is het de zeebries die na het vallen van de tropennacht niet alleen de klamme warmte uit zijn kamer verdrijft, maar ook de geur van rottende planten in het moeras naast zijn huis. Nu versterkt de weeë geur de lichte misselijkheid die hem vergezelt sinds zijn leverkwaal weer is gaan opspelen.

Hij schenkt zichzelf een derde of vierde glas jenever in en leunt achterover. Zes jaren. Zes lange jaren al zwoegt hij in deze godvergeten uithoek van de wereld. Omringd door arme drommels van Batakkers en fanatieke mohammedanen. Ver weg van alles wat ook maar enig Europees gemak bracht of plezier in het leven. En waarvoor? Als taalgeleerde ligt zijn missie in het ontcijferen van vreemde schriftsoorten en het bestuderen van oosterse talen. En beslist niet in het winnen van zieltjes voor de christelijke kerk. Maar uitzending als bijbelvertaler was voor hem de enige mogelijkheid geweest om naar Indië terug te keren en zijn taalstudie voort te zetten. En nu moet hij met lede ogen toezien hoe zijn harde werk voor de christelijke missie ook nog eens vruchteloos blijkt. De heidense Batakkers vinden de meeste bijbelverhalen saai, onzinnig, of zelfs aanstootgevend. Zij zien meer heil in de islam die op de westkust bezig is aan een onstuitbare opmars. Nu zelfs zijn vertaling van het verhaal van Jozef door de mohammedaanse priesters wordt gebruikt om Batakkers tot de Islam te bekeren is het laatste beetje werklust hem ontnomen.

Zijn duistere gedachten maken ruimte voor iets lichters nu hij denkt aan de honderden handgeschreven boeken die hij heeft verzameld: zijn studiemateriaal. Dát is zijn triomf. Aanvankelijk wilde de lokale bevolking hem hun boeken niet laten zien, laat staan verkopen of kopiëren. Maar door zijn vriendelijke omgang met de mohammedaanse handelaren en zeelui en Batakse leiders van de omringende nederzettingen is hij erin geslaagd hun vertrouwen te winnen. Een dikke geldbuidel heeft ook geholpen, evenals het uitlenen van boeken uit zijn eigen verzameling. Binnenkort stuurt hij weer een zending naar Holland om te voorkomen dat ongedierte en het vochtige klimaat zijn kostbare schatten aantasten.

Maar sinds een paar weken lijkt het alsof niet alleen mieren, muizen en schimmels het op zijn boeken gemunt hebben. Druppelsgewijs verdwijnen er titels van zijn boekenplanken. Allemaal zeldzame toverboeken die hij met de grootste moeite heeft weten los te weken van hun eigenaren. De Batakkers waren immers bang geweest dat hun kennis over oorlogsvoering, beschermende amuletten, voorspellende dromen en zwarte magie in verkeerde handen zou vallen. Misschien is de dief één van de verkopers die spijt heeft gekregen van de transactie.

Van Vliet staat op en wankelt licht. ‘Min, Amiiiin! Zet mijn luie stoel in de boekenkamer en breng me een nieuwe fles jenever met de Sumatra-Bode. Ik zal die rat op heterdaad betrappen! En vergeet niet een goede sigaar voor me aan te steken’.

Zodra de zware stoel voor de kast met boeken staat zakt hij in de stoel. Hij drapeert zijn benen over de uitgeklapte beenleggers en neemt een trek van zijn sigaar. In het schijnsel van de olielamp op het rotan tafeltje naast de stoel zien zijn vermoeide ogen nog net een stapel met zigzag-gevouwen geklopte boombast op de onderste plank. Hoekige schrifttekens in roetzwart met hier en daar een rood accent tooien het bovenste blad. Het is stil in de kamer, op het eeuwige getjirp van de krekels na. Zijn wereld is zo groot als het schijnsel van de kleine lamp op de tafel. Daarbuiten is er niets. Hij voelt hoe de spieren in zijn lichaam zich ontspannen. Zijn ogen vallen af en toe dicht. Hij neemt nog een slok jenever en zet het glas op de brede armleuning. Zijn sigaar smeult en hangt slap tussen zijn vingers. Hij droomt al gauw, over Hollands eten. Zuurkool met klapstuk, jonge tuinboontjes en varkenskotelletjes. Zijn brede lichaam draait wat in de stoel op zoek naar een comfortabeler houding.

Pats! Het glas met de jenever valt op de grond, bijna gelijktijdig met de smeulende sigaar. Van Vliet is in Holland en merkt niets. Het papier van de Sumatra-Bode op de grond blijkt een uitstekende voedingsbodem voor het vuur dat dat die nacht het huis van Van Vliet zal wegvagen. Het vuur kruipt over de vloer naar de planken en laaft zich aan de riemen papier die Van Vliet voor een veel te hoge prijs van het residentskantoor heeft kunnen kopen. Als de immer gulzige vuurslang uit de mythen van de Batakkers klimmen de vlammen slingerend om hoog. De tong van het monster likt nu de bamboekokers waarop de Batakkers, verongelijkt of verliefd, hun dreig- en liefdesbrieven schrijven. Daarna stort het beest zich op de bundels met Maleise avonturenverhalen, de Arabische teksten over de goede daden van de profeet en kronieken van de twee lokale vorstenhuizen. Als laatste zet het zijn klauwen in het manuscript van het deel T t/m Z van Van Vliets Bataks-Nederlands woordenboek. Het woordenboek dat negen jaar na de dood van Van Vliet zou verschijnen, A t/m S.