Categorieën
Fictie

Vrouw-ter-Nood

VROUWE-TER-NOOD

‘Kijk!’, roept Ank, en haar fietsbel rinkelt de zomerse plattelandsrust open. Ze wijst naar het bouwsel dat verscholen ligt achter een verwilderde ligusterheg, in de schaduw van een enorme kastanjeboom. Bijna hadden we het gemist. Al uren fietsen we door Limburgs land met veld en bos, over smalle weggetjes op glooiende hellingen. De dorpjes zijn klein, maar onveranderlijk staat er een kerk als op kindertekeningen: met een spitse toren en een kruis. Aan de vóórkant het kerkplein met café, eráchter het kerkhof. We kozen dit uitstapje voor onze tweeëntwintigste trouwdag. Zonder de kinderen: ‘Fietsen? Dûh…!’
Onze dochter studeert in Amsterdam, en Ralph backpackt in Australië.

Ank trekt haar vestje dichter om zich heen in de schemering onder de kastanjeboom. Ze schuift de zonnebril in haar krullen en wenkt me dichterbij. Het is een kapelletje. Op zich niets bijzonders, het wemelt ervan hier. Meestal goed onderhouden; soms gewijd aan Franciscus of Antonius, maar meestal aan Maria. Zij is populair.
De kapel is klein en langwerpig. De witgekalkte buitenmuren worden ontsierd door grauwgrijze vochtvlekken en groene aanslag. Aan de zijkant zitten, achter tralies, kleine glas-in-loodraampjes. De ingang is lang geleden dichtgemetseld met slordig gevoegde, ruwe bakstenen. Op het klokgeveltje hangt een plank met gekerfde letters waarin donkerrode verf schemert. Samen ontcijferen we: Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood.
‘Maria,’ legt Ank uit. ‘De Moeder Gods’.
Balancerend op mijn tenen kan ik door een raampje naar binnen kijken en achter een waas van vuil en stof zie ik twee kerkbankjes en een klein altaar, met daarop brokstukken van een Mariabeeld, het kindje Jezus in haar gebroken armen. De kleuren zijn verrassend helder, wit met blauw.
‘Ja, het is Maria.’
‘Wat jammer dat we er niet in kunnen.’
‘Je mist niet veel, hoor. Het is kaal en kapot.’
Ank checkt haar telefoon en bergt hem snel weer weg. In gedachten legt ze haar handpalmen tegen de stenen van de dichtgemetselde ingang, en krabbelt er zachtjes aan.
‘Kom, we rijden verder. In het volgende dorp drinken we wat.’
Ank loopt nog een rondje om de kapel; met haar vingertoppen legt ze er een denkbeeldig lint omheen.

Terug op onze kamer boven het dorpscafé, dat tevens hotel en biljartlokaal is, laten we ons op het bed vallen. Moe in de benen, licht in het hoofd.
‘Zal ik beneden twee flesjes bier halen,’ vraag ik. ‘Tijd genoeg voor het eten.’
‘Neen, blijf maar liggen. Ik ga wel.’ Ank komt overeind en schiet haar slippers aan. Als ze terugkomt zie ik blosjes op haar wangen. Ze heeft weer gebeld.
‘Ik heb de waard gevraagd naar dat kapelletje,’ zegt ze nahijgend.
Ank gaat met een geheimzinnige blik de rand van het bed zitten. ‘Er zit een verhaal aan vast.’
Ik kijk verwachtingsvol.
‘Vertel,’ gebied ik glimlachend.
‘Nog niet!’
Ik probeer haar te kietelen, maar ze glipt weg.
‘Hij wist er niet zo veel van, het is een oude geschiedenis uit de jaren dertig.’
‘Dat is een dooie mus, Ankie…’ verwijt ik haar.
‘Morgen horen we meer!’ zegt ze. Als ik haar vragend aankijk en naar haar flanken graai, schiet ze overeind: ‘Niet kietelen! Ga weg!’
Ze lacht plagerig.
‘Morgen is het zondag, dan komen de oude mannen van het dorp hier beneden toepen. Eerst de kerk, dan het café.’
Net als mijn opa vroeger. Na het kaarten ging hij huiswaarts, waar oma wachtte met de zondagse soep.
‘Een van die oudjes weet meer. Hij heeft het zelf meegemaakt.’
‘Dan zullen we geduld moeten hebben,’ glimlach ik. ‘Heb je nog aan de biertjes gedacht?’
‘Shit!’ roept Ank en holt terug naar beneden.

Als ik de volgende morgen uit de badkamer kom legt Ank met een verontschuldigend lachje haar telefoon weg. De kerkklokken luiden en overstemmen de vogelgeluiden.
‘Geen gehoor,’ zegt ze.
Ralph is negentien, eigengereid en lijkt op zijn moeder. Met een vriend trekt hij langs de Australische kusten en door de Outback. Het laatste sms’je is van een week geleden: ze liften mee met een “road train” naar het noorden. Natuurlijk hebben ze geen bereik in de binnenlanden, maar Ank is bezorgd. Steeds probeert ze half-heimelijk Ralph te bellen. Ik probeer haar ervan te overtuigen dat die zich heus wel redt, maar dat lukt niet echt.

Het ontbijt is beneden. Buiten de hotel-café-eigenaar zijn we alleen. Op de achtergrond murmelt de radio. Het kerkplein is verlaten. We bladeren de krant door, op zoek naar ongelezen artikelen. Maar dan, eindelijk, gaat de kerkdeur open en de weinige misgangers komen naar buiten, oogknipperend tegen het zonlicht. Drie bejaarde mannen lopen stram naar ons café, met het geduld van de grijsaard, die meer dan genoeg heeft aan de tijd die hem resteert.
‘Die met de wandelstok, dat is Sraar, die moet u hebben,’ wijst de waard. ‘Ik zal ze eerst hun borreltje brengen, dan stel ik u voor.’
‘Oké,’ knikt Ank.
Sraar nipt van zijn jenevertje, luistert naar de kroegbaas en kijkt dan naar ons. We knikken vriendelijk. De oude man draait zijn rug naar ons toe, maar hijst zich dan overeind en komt naar ons tafeltje, borreltje in de ene, stok in de andere hand.
‘Dag meneer,’ zegt Ank met haar liefste glimlach, ‘dit is mijn man Geerten, en ik heet Ank.’ Ze maakt een uitnodigend gebaar en Sraar gaat moeizaam weer zitten.
Het blijft stil.

‘Nog iets drinken?’ vraagt Ank. De oude baas knikt en gaat rechtop zitten.
‘De kapel, hè?’ zegt hij.
‘Die van Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Nood, ja.’ Ank schuift haar stoel aan.
‘Hmm,’ klinkt het. Bedachtzaam neemt hij een slokje.
‘Het is lang geleden,’ zegt hij zachtjes en sluit zijn ogen. De radio wordt uitgezet. De andere mannen draaien eerst hun hoofd, dan hun stoel naar ons tafeltje.
Hij denkt na.
‘Ik ben nu eenennegentig, en het gebeurde toen ik acht was. Ik weet het nog goed. Moeder sliep er niet van, en vader had de riek naast het bed staan. Wij, de kinderen, sliepen bij elkaar, angstig door hún ongerustheid.’
Sraar rilt alsof het gisteren gebeurd is, en vertelt.

‘In het dorp woonde Berthien, de jonge weduwe van een rijke boer. Ze zat er warmpjes bij, maar leefde teruggetrokken. Berthien had een dochter, Margo die een paar jaar ouder was dan ik. Margo was haar oogappel.’
Sraar verzinkt in het verleden, alsof hij ze voor zich ziet.
‘Op een doordeweekse dag kwam Margootje ‘s middags niet thuis. Berthien maakte zich natuurlijk ongerust en liep naar school. Onderweg vroeg ze de mensen naar Margo, maar vergeefs: niemand had iets gezien of gehoord. De politie werd erbij gehaald. Bij ons in de klas kwam de agent vragen: “Wie heeft Margootje gezien? Wie helpt haar mama?” Wij huiverden, hulpeloos, maar niemand wist iets.’
De oude man neemt nog een slokje en een adempauze. Ank heeft mijn arm vastgepakt en knijpt.

‘Margootje werd niet teruggevonden. Alle onderzoeken liepen dood en leverden niets op! Berthien treurde, en trok zich steeds meer terug in haar grote, lege huis. Alleen de kerk, daar kwam ze vaak. Ze stak kaarsjes op, bad en sprak met meneer pastoor, die haar probeerde te troosten. Maanden later, toen Margootje voor ons al oud nieuws was, deed een gerucht de ronde. Over Berthien. En over een Mariakapel. Meneer pastoor bevestigde het: zij zou die laten bouwen, voor Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Nood.
De gewone kaarsjes en rozenhoedjes waren niet in staat gebleken om Margo terug te brengen, en nu riep zij rechtstreeks de hulp van de Moeder Gods in. Toen het kapelletje klaar was, met een nieuw blauwwit Mariabeeld, zorgde Berthien steeds voor verse bloemen. Altijd brandde er een kaarsje.’
Ank’s gezicht vertrekt, ze reikt naar haar telefoon, maar ik leg mijn hand op de hare. Sraar wrijft over het pluche tafelkleedje, zijn oude ogen glanzen.
‘Op den duur gaf zelfs Berthien de moed op. Ze kleedde zich alleen nog in het zwart en begon meneer pastoor te mijden. De bloemen in de kapel verwelkten, het kaarsje doofde. Uiteindelijk vernielde ze het Mariabeeld, en uit pure onmacht liet ze de ingang dichtmetselen. Haar geloof in Maria was weggevloeid. Berthien’s hoop werd achter mortel en steen begraven.’
In het café valt de stilte als een dooie tak. Buiten jankt een hond.
‘Een jaar later verdronk Berthien zichzelf in de gierput,’ zegt Sraar, en zucht diep.

Hij neemt een laatste slok, snuift eens diep en kijkt op de klok boven de tapkast.
‘Etenstijd! Moeder-de-vrouw wacht met de soep.’
‘Bedankt, Sraar,’ zegt Ank zacht.
Ontdaan bestellen we een borrel.
Dan gaat Ank’s telefoon over, ze grist hem uit haar broekzak. Haar gezicht klaart op als de hemel na een onweersbui en roept: ‘Ralph!’

Pieter Ewals