Categorieën
Fictie

Vrijdagavond, bij Corneel

Vrijdagavond,
bij Corneel

Drie matte plekken op het tapijt, we zitten hier wel vaker met zijn drieën. De rugleuning van de zitbank vertoont onderaan lusjes van de knopen aan onze achterzakken. Het zijn letterlijk en figuurlijk bewogen avonden. En ja, vanavond is het niet anders ook al zou je dat kunnen verwachten. Op de hoek van de salontafel ligt de afstandsbediening klaar naast een pak servetten, en bij de tafelpoten staan enkele flessen Koopmanskloof. Een stapel wenskaarten op de buffetkast is beschreven met woorden van lof en garanties. Dat ik geëngageerd in het leven sta, beaam ik, maar Corneel Manne is een lafaard.

Vanavond eten we wraps. De structuur en de minuscule perforaties doen me aan een dweil denken en toch smaakt het prima. Het is zoals bij pannenkoeken, er zijn zodanig veel variaties mogelijk van wat je erop doet dat je jezelf automatisch overeet.
‘Warmen we ze op in een pan of de oven?’ vraagt Stefaan.
Met mijn vinger teken ik een cirkel. Mijn broer begrijpt me.
Patrick komt toe en mekkert het door iedereen gekende liedje bij deze gelegenheid terwijl hij zich naar de keuken begeeft met een pakje van de geitenboerderij waar zijn ouders vlakbij wonen. Ik richt de afstandsbediening op hem. Hij steekt zijn armen in de lucht en beweegt zich achterwaarts tot bij Stefaan.
‘Geef dat maar hier’ zegt mijn broer terwijl hij naar de kaas graait. ‘Jullie zien te veel oorlog.’
Ik zet muziek op van Jack Johnson. Shot Reverse Shot, kwelen we mee. De hitlijst zullen wij niet halen maar een zekere schaamteloosheid kunnen bewaren in het leven is toch mooi.
‘De sausjes?’ vragen ze in koor.
‘Die neem ik’ zeg ik snel. Drie bakjes met gekleurde flexibele deksels, ik kreeg ze onlangs van mijn moeder onder de naam ‘ruimtespaarders’, staan verspreid in de veel te grote koelkast. Bij heet weer leg ik mijn sokken en onderhemden onderaan in een bak die ik anders toch niet gebruik. Dat leerde ik in Griekenland. Ooit mijn eerste vliegreis en nog steeds mijn laatste warme vakantiebestemming. Ik kan beter reportages maken in een broeierige hitte dan liggen bakken op een strand. Op het onderste rek staat nog iets van haar. Een knaloranje broodtrommel. Zij haalt tegenwoordig haar sneetjes brood uit het vriesvak. Ze is eenentachtig, woont nog zelfstandig en gaat turnen met de oude mensen, zo noemt ze de bewoners van het rustoord. Mij moeten ze daar nog niet bewaren, zegt ze kranig. Even schuif ik het deksel omhoog. Ze bakte een rolbiscuit voor mij, haar specialiteit. Wekelijks krijg ik zoetigheid mee want volgens haar ben ik veel te mager. Dan glip ik overal tussendoor, stel ik haar gerust. Als ik haar vastpak strelen haar haren mijn hals. Ik adem in en ken onze gedachten. Ze weet waarmee ik bezig ben en is trots op mijn engagement maar ook bang. Dat elke job zijn risico’s kent moet ik haar niet vertellen. Wat ik teweegbreng, daar draait het om en daar praten we samen over.
Tevreden zet ik de sausdoosjes op het aanrecht en proef van de mengeling met linzen en paprika, de favoriet van mijn gasten zolang ik hier al woon. Al zes jaar. Marie, waarom denk ik aan Marie? Met houten lepels roffel ik op het aanrecht. ‘Nieuw, nouveau, new, nuevo. Pindakaas vermengd met sojasaus en curry.’ Het is stil in de keuken alsof iemand op de pauzetoets drukt. Geïnspireerd op een Indonesisch gerecht, zeg ik nog snel. En alles mag op.

Morgen heb ik met mijn zoon afgesproken. Op dezelfde plek dan gewoonlijk maar nu trakteert hij. Als ik in het land ben, ontmoet ik hem daar wekelijks. Warre wacht dan op een vaste plek aan de toog zodat hij niet hoeft te zwaaien als ik binnenkom. Meestal hangt hij met zijn gezicht boven het scherm van zijn telefoon. Het technologisch verdwijnen. Als kind deed hij zijn ogen dicht en dacht dat hij verstopt was. Zittend naast elkaar op een barkruk krijg ik de vertrouwde schouderklop met het sussende ‘dag vadertje’. Ik begrijp zijn glimlach. Hij weet dat ik met de tram kom, drie haltes te vroeg afstap en te voet verder wandel tot bij het café. Voor mij ook een pint, gebaar ik dan.

Ergens te voet aankomen hoort bij mij, ik ken de vele ritmes van het leven. In Ethiopië was wandelend toekomen een zeer bewuste keuze ook al moest er dan met materiaal gezeuld worden. Ik wilde aankomen zoals de plaatselijke bevolking dat deed. Zo min mogelijk opvallen voor zover dat mogelijk was als blanke man met een camera en notitieboek. Toen ik in 2008 ter plaatse was, had het fel geregend. Het ophalen van het water, uit de soms dertig meter diepe putten was plots kinderspel. De rituele liederen die een cadans gaven aan het zware werk waren overbodig. Uitbundig en speels werden bidons gevuld. Geen gedrum maar vrolijk gewriemel. Vlakbij de put stond een groep toeristen met groteske gebaren te praten. Van onder hun lendenband haalden ze hun vleeskleurige geldbuidel tevoorschijn, hun geldorgaan. Enkelen tastten in de achterzak van hun dure trekkersbroeken. Ze smeten er godverdomme veel geld tegenaan om de waterdragers tot zingen te forceren. Rapporteren of ingrijpen, een keuze die voor mij geen keuze lijkt. De zingende bronnen stonden nu eenmaal op het programma in de reisbrochure. Pure fictie of hebben die reisagenten een glazen bol? Toeristen betalen kapitalen voor exclusiviteit en authenticiteit. Met de opnameknop van hun camera ingedrukt stonden ze op een rij. Hun uniforme kledij gaf een schoolse indruk. Wat had ik ze graag integraal omver gekegeld.
Een andere reiziger was bedrijvig bezig met reflectieplaten voor een juiste belichting. Vanop afstand keek ik toe, knikkend naar een bende kinderen die de nauwkeurig opgestelde constructie van mij mochten omver lopen. De man keek rond. Moest hij ‘komt dat zien’ in het plaatselijke dialect kunnen roepen, dan had hij dat zeker gedaan. Hij richtte zich tot een vrouw met metalen ringen rond haar bovenarmen. Verder droeg ze enkel een leren lap als rok versierd met kralen en schelpen. Deze inheemse moest hij voor zijn lens krijgen. Met beide handen greep hij de vrouw vast om ze te schikken als in een bloemstuk. Zijn handen lieten afdrukken achter op haar huid die besmeerd was met een soort rode klei. Duurzaam en respectvol reizen staat hoofdzakelijk op papier en op zijportieren van terreinwagens. Ik wandelde het dorp in. Blijven kijken wilde ik niet. De portretten die de man fotografeerde kwamen waarschijnlijk op een stomme kalender terecht.

‘Culturele identiteiten vervagen zoals ook de grenzen in Europa.’ zeg ik luidop.
‘Omdat wij Mexicaanse wraps eten?’ plaagt Patrick.
‘Weet je nog Corneel hoeveel angst ons vader had om met een volgestouwde wagen, een overbezorgde echtgenote naast hem en drie zonen op de achterbank de grens met Frankrijk over te steken? Dat kennen we niet meer.’

Als jongste mocht ik in het midden zitten, zonder gordel maar wel met een panoramisch uitzicht. Bij elke scherpe bocht stootte ik tegen mijn broers aan die dan belachelijk luid zuchtten. Stefaan botste met zijn hoofd tegen het venster maar zelfs ik begreep dat het gespeeld was en dat hij nooit een groot acteur zou worden. Mijn lievelingsbroer, die werd hij wel. Wanneer mijn vader plots remde sloeg mijn moeders arm als een slagboom neer tussen de voorste zetels. Ik bootste met hoge stem het rinkelende geluid na van de obstructie. Mijn broers daagden me uit met ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’ terwijl zij met hun slungelige lijven het uitzicht probeerden te beperken. Of ze zwaaiden vanuit hun comfortabele positie naar voorbijrijdende auto’s. Aan de grenspost zaten we keurig op een rij. Onze moeder corrigeerde haar kapsel terwijl mijn vader leunend op haar bovenbenen, in het handschoenkastje rommelde. Ik had zicht op een klam onderhemd dat uit zijn broek stak en dacht na over dat Franse woord om goedendag te zeggen.
Nu heet onze telefoon ons overal welkom en verwittigt ons keurig voor de plaatselijke tarieven. Een verwittigd mens is er twee waard? Geef mij maar de confrontatie, de cultuurschok. Het maakt me alert. Dat laatste zeg ik luidop terwijl ik de geweven lijnen op het tapijt in mijn woonkamer volg. Bij het kookeiland staan twee mannen breed te glimlachen. ‘Confrontaties zijn boeiend,’ scandeer ik. Ze tonen hun biceps.
In de keuken trek ik met mijn voet de kastdeur open en haal er een deksel uit voor op de wok vol groenten. Patrick schudt met het vergiet vol veldsla. Ik knik, geen onnodige afwas creëren. Met een knipoog geef ik het startsein. Mijn broer zet het vuur op maximum. De wrap golft door de hitte en vormt blaasjes. ‘De eerste is voor de jarige,’ roepen ze in koor. Weigeren heeft geen zin en ik heb honger. Met elk onze opgerolde lap vol groenten die plakkerig bijeen gehouden wordt door de saus, zitten we op een rij in de zetel.
‘Op nog vijftig goede jaren,’ toost mijn broer.

Anne Mari Marcel