Categorieën
Fictie

Voorzorg

26 april 1986
Als een actieve vulkaan onder een dun laagje ijs heeft ze zich ergens verstopt tussen balen luiers en zakken volkorenmeel. Ze heeft geen benul van de belangrijke taak die haar te wachten staat, Nic weet niet eens haar naam. Er was geen tijd om kennis te maken. Voor de zekerheid controleert hij voor de laatste keer zijn berekeningen. Geen speld tussen te krijgen: 26 april 1986, dan gebeurt hét. Wat er ook gaat gebeuren Nic – hij heeft slechts een vaag idee – heeft alles gedaan om de mensheid te redden. Kijkend naar het vale matras, ingeklemd tussen de muur en een stellage vol potten witte bonen in tomatensaus, vraagt hij zich af of het verstandig was geweest als hij lakens had meegenomen. Het leek hem eerlijk gezegd niet nuttig aangezien er geen mogelijkheid is ze te wassen. Het warme licht van het peertje dat de ruimte verlicht geeft hem hoop. Die brand nog. Al kan die elk moment uitvallen en dan weet hij dat het is gebeurd is.
De vrouw begint tegen hem schreeuwen. Blikken eierpoeder smijt ze vrij accuraat naar Nics hoofd. Hij laat haar uitrazen. Hij begrijpt de woede en frustratie en bovendien zal hij de komende jaren met haar moeten samenwerken. Dat hij haar niet kent deert hem weinig. Noach heeft de aarde ook niet kunnen herbevolken zonder zijn vrouw en wat dat betreft heeft deze vrouw iets met haar gemeen. Het is – zo veronderstelt hij – niet geheel toevallig dat hij willekeurig een vrouw van straat heeft moeten slepen. Wat moest hij anders, het moment was aangebroken. Hij had geen tijd meer om kennis te maken en op zijn contactadvertentie heeft al helemaal niemand gereageerd. Nu is het vooral zaak haar te kalmeren, door haar thuis te laten voelen of zo. Het schiet hem te binnen dat zijn vrouw Gal graag aardappelschotels maakt. Nic moet bij de gedachte aan zijn vrouw zijn tranen wegslikken, hij moet sterk zijn. Voorzichtig reikt hij de vrouw een aardappelschilmesje aan. ‘Mevrouw, wilt u misschien aardappelen schillen?’

7 februari 1985
Gretig pikt een roodborstje stukjes brood in de tuin. Nics kater Tom sluipt langzaam dichterbij met een jachtinstinct die een leeuw niet zal misstaan.
Nic zit onverstoord aan de keukentafel, zegels uit het koffiepak te knippen terwijl het koffiezetapparaat pruttelt, de koffiearoma’s verspreiden zich door het huis. Met min vier op de thermometer kan hij wel een warm bakje gebruiken. Nic zet de radio op Hilversum 1 voor de verkeersinformatie en pikt zo het nieuws mee: Komeet Halley komt eraan. Voor menigeen een schitterend natuurverschijnsel, maar Nic weet wel beter. Een staartster betekent rampspoed, een nieuw begin of allebei. Alle dinosauriërs zijn uitgestorven door zo’n onheilsbrenger die zijn cyclus afsloot door op aarde te pletter te slaan. Daardoor zitten we nu in de cyclus van de mens en die wordt belichaamd door komeet Halley, een samenraapsel van stof en ijs. Voor Nic is het zonneklaar. In deze cyclus kondigde de staartster de geboorte van Jezus aan, de slag bij Hastings en vast nog meer gebeurtenissen. Het menselijk geheugen is daarvoor te kort. De uitkomst is in ieder geval simpel: de ene keer brengt het leven, de andere keer de dood.
Nic staart uit het raam naar de broodkruimels in het gras. Wat zal de staartster deze keer brengen?
Het gemiauw van Tom onderbreekt zijn gedachten. Bij zijn voeten ligt het levenloze roodborstje die hem met haar kraalzwarte ogen aanstaren.
Met de tederheid van een vader die zijn eerstgeborene voor het eerst in zijn handen houdt raapt Nic het vogeltje op en bestudeert haar aandachtig. ‘In feite ben jij de onheilsprofeet,’ fluistert hij.
Nic draait het telefoonnummer van zijn werk en meldt zich ziek. Er is een hoop werk te verzetten. Als eerste moet hij zijn vrouw inlichten. Dat de dood voor de deur staat is immers niet iets wat je in een goed huwelijk verzwijgt. Met grote passen beent hij de slaapkamer binnen en raakt zijn vrouw zachtjes bij haar rechterschouder aan. ‘Het is zo ver,’ roept hij uit.
Uit een reflex slaat Gal naar de wekker, wrijft de slaap uit haar ogen en pakt de wekker beet. ‘Het is half zes, moet jij niet naar je werk?’
‘Ik heb mij ziekgemeld.’
‘Je hebt je wat?’
Nic opent zijn hand waarin het roodborstje rust. ‘Het is op het nieuws, de staartster komt eraan.’
Gal heeft alleen oog voor het bloederig hoopje veren dat Nic boven haar dekens houdt.

12 maart 1985
Een maand later moet Nic zich haast gewonnen geven, zijn berekeningen vorderen niet en ondanks zijn pas afgesloten abonnementen op landelijke dagbladen heeft hij onvoldoende aanknopingspunten. In eerste instantie verwacht hij dat het onheil met de Russen te maken zal hebben. De gezondheidstoestand van Konstantin Tsjernenko, politiek leider van de Sovjet-Unie, heeft hij met buitengewone belangstelling in de gaten gehouden. In het verleden is menig rijk ingestort doordat ziekte of dood van hun leider. Al moet gezegd worden dat hij naast Alexander de Grote geen enkel voorbeeld kent. “Raketoverleg in Genève gaat gewoon door” staat boven het artikel in De Telegraaf waarin verkondigd wordt dat Michail Gorbatjov algemeen leider is geworden van het Politburo. Het zou goed kunnen. Hij bladert door de stapel kranten die hij afgelopen maand heeft verzameld. In De Telegraaf van precies een maand geleden staat eveneens een bericht over de staartster. De kunst is patronen te herkennen tussen het ruis en daarmee het bewijs verzamelen dat men wil hebben voordat men het ziet. Nic legt de kranten netjes terug op de stapels als de deurbel gaat. Hij haast zich aangezien de aannemer een flinke klus te klaren heeft.

5 november 1985
Trots laat Nic het stalen luik zien aan zijn vrouw. De ingang van zijn zelfontworpen atoomkelder, een modern equivalent van de ark. Aan de binnenkant zullen ze niet toekomen. Ze heeft een afschrift gevonden met de eerste afbetaling van de lening. Zo’n onwetende aannemer bouwt natuurlijk niet voor niets, ook de balen luiers, een paar rompertjes en vijf wiegjes waren een flinke aderlating naast nog eens vijf jaar aan voedsel. Meer paste er niet in. Overleggen over deze lening scheen hem ridicuul aangezien geld straks niets meer waard is. Even had Nic nog overwogen katoenen luiers te kopen. Niet alleen vanwege de ruimtebesparing, maar ook om te voorkomen dat zijn vrouw zich gaat vervelen. Deze ondergrondse Ark geeft hen de verantwoordelijkheid de aarde te gaan herbevolken. Met een beetje goede wil moet het wel lukken om in die vijf jaar vijf kinderen te verwekken – meent hij – en heeft ze de hele dag vermaak.
‘Hoe heet Noachs vrouw?’ vraagt Gal die er allerminst zin in heeft als een oermoeder en broedmachine ineen haar dagen te slijten onder de grond.
Nic heeft geen antwoord en begint in zijn bijbel te bladeren. Nergens staat haar naam. Gal pakt haar koffers.
Dezelfde middag schrijft Nic een contactadvertentie voor een vruchtbare vrouw met ambitie en breekt hij zijn hoofd hoe hij vakkundig gaat selecteren uit de reacties.

29 april 1986
Nics handen zijn rood en opgezwollen. Had hij het aardappelschilmesje pas na haar hysterie moeten aanreiken? Bij gebrek aan verband heeft hij zijn handen verbonden met zijn reserve onderbroek. De vooralsnog volstrekt onbekende vrouw heeft inmiddels een fort opgetrokken uit meelzakken. Aan munitie geen gebrek. Nic heeft verscheidene blikken kapucijners tegen zijn voorhoofd gekregen. Tot overmaat van ramp blokkeert ze toegang tot het gat die dienstdoet als wc.
De gloeilamp dooft.
‘Het is gebeurd,’ schreeuwt Nic opgewonden uit.
Met een knal vliegt het stalen luik open waarna de dienstdoende wijkagent met een zaklamp in zijn hand naar beneden klimt. De wijkagent houdt zijn zakdoek voor zijn mond tegen de penetrante lucht die het midden houdt tussen een openbaar toilet en een varkensstal. Niet veel later komt hij met Nic en de vrouw naar boven.
Nic wordt voor de ogen van zijn eigen vrouw Gal in de boeien geslagen. ‘Schat je bent teruggekomen. Nadat ik dit misverstand heb opgelost zal ik mijn berekeningen bijwerken en moeten we de mensheid redden.’
Bij wijze van antwoord plaatst Gal haar rechtervoet hardhandig tegen zijn edele delen waardoor de wijkagent genoodzaakt is Nic door zijn huis te slepen.
Nic beseft goed dat het niet aan zijn berekeningen kan liggen. ‘Is er een ramp gebeurd afgelopen dagen?’ vraagt hij terwijl de wijkagent hem min of meer expres tegen de deurpost aan laten knallen.
‘Behalve een smeerlap die zich met een vrouw in een bunker opsluit en een kernramp in de Sovjet-Unie?’ De wijkagent sluit zijn zin af door Nics hoofd hardhandig tegen de dakrand van de politieauto te rammen.
‘Dank u, dank u,’ slaakt Nic zichtbaar ontroert uit. Drie dagen heeft hij onder de grond gezeten en is als het ware herrezen. Een kernramp. Hij heeft de mensheid verlost. De mensheid zal voorlopig voortbestaan zoveel is zeker. Hij glimlacht en zwaait naar de buurman en een journalist van het lokale huis-aan-huisblad terwijl zijn woonhuis uit het zicht verdwijnt.