Categorieën
Fictie

Voorbijganger

Voorbijganger
Een nauwe band hebben we niet gehad, we hebben elkaar maar een paar keer gezien. Vriendschap kon je het niet noemen, laat staan een relatie.
Ze was een blond, jongensachtig meisje, met een grote mond, letterlijk, niet figuurlijk, want ze sprak weinig en leek vaak afwezig. Toen ik een jaar of 8 was logeerden mijn zusjes en ik in het pension van haar ouders, aan de kust.

Ze schoof een kastdeurtje opzij, er stonden kleine flesjes achter die vreemd roken. Ze pakte er een met een lichtbruin poeder en gebaarde me mijn hand op te houden. Ze strooide er wat poeder in.
“Nee, wacht”, zei ze, toen ik wilde ruiken. Ze hield mijn hand vast en liet een kleine klodder spuug op het poeder vallen. Het loste niet op, zag ik, pas toen ze de spuug met haar vinger door het poeder roerde ontstond er een bruin papje. Ze likte haar vinger af.
“Hmm, proef maar.”
Ik likte en proefde een zoete, warme geur.
“Pummy”, zei ze, “lekker.”

Haar vader wilde een foto van ons maken, op het binnenplaatsje, in de zon.
“Pyjamajasjes uit, jongens, het is warm zat”, zei hij, van achter het cameraatje. Lotte wilde niet.
Haar moeder lachte: “Doe niet zo flauw!”
Met tegenzin trok ze ook haar pyjamajasje uit: “Het is koud.”
Haar moeder zette ons op een rij, Lotte voorop. Op de foto lachen we allemaal, behalve Lotte, die met onbestemde blik in de lens kijkt.

Ze moest van haar moeder melk halen bij de melkwinkel. Ze droeg een klein, metalen emmertje met een deksel, om de melk in te doen. De melkwinkel was een paar blokken verderop, je kon er komen via allerlei achterafweggetjes en steegjes. Ze liep met een sluipende pas, die ik automatisch van haar overnam, en spiedde regelmatig om zich heen.
“Je moet oppassen voor kinderlokkers”, zei ze.
“Kinderlokkers?”
“Die nemen je mee en trekken je broek uit.”
Bij elke hoek keken we of de kust veilig was. Zo wisten we de winkel te bereiken Het was er koel en het rook er naar melk en kaas.
De verkoopster stond te praten met een klant.
“Ze is toen meegenomen door een voorbijganger, maar dat heeft ze zelf niet meegekregen.”
Ze wierp een blik op ons.
“Gelukkig is ze er goed vanaf gekomen”, maakte de verkoopster een eind aan de conversatie.
Lotte gaf haar de melkbus, die werd gevuld aan een grote machine. Terug namen we een veiliger route, langs de uitwatering.

“Hier, breng het brood van je vader even naar de bushalte”, zei haar moeder en reikte haar een
plastic doos aan.
“Nee, dat doe ik niet!”, protesteerde ze. Ze pakte de doos niet aan.
“Ik breng z’n brood niet!”
Ze liep naar het binnenplaatsje met het kippenhok en ging touwtje springen.
“Zal ik het anders brengen”, bood ik aan.
“Oh, dat is heel fijn. Ik heb echt geen tijd. Lotte weet wel waar je moet gaan staan.”
Haar vader was chauffeur op de bus. Ze liep met mij mee naar de boulevard en wees me de halte.
Zelf ging ze op het hekje bij de zeereep zitten en keek een andere kant op toen de bus stopte. De warmte sloeg van de grote wielen. Ik klom in de bus en gaf haar vader, die achter het enorme stuurwiel zat, het doosje met brood. Hij bukte zich en keek door de open deur naar Lotte. Hij drukte op de toeter, maar toen ze geen krimp gaf lachte hij en tikte aan zijn pet voor hij mij eruit liet en verder reed.

Op strand had iedereen een schepnetje. Er zaten garnalen in het zwin. De behendigste kinderen wisten ze te vangen en deden ze in hun emmertjes. Mij ging het ook goed af, maar Lotte keek van een afstandje toe. Toen ze het eindelijk ook probeerde lukte het haar niet om ook maar een garnaal
te vangen. Ze gaf het op en ging verderop zitten, op het zachte zand. Het deed pijn in mijn buik om haar zo te zien. Ik ving nog een paar garnalen en gooide mijn emmer leeg in de hare. Ze zei niks.

Aan het eind van de middag, na het zwemmen, sloten de andere kinderen ons op in een strandhuisje, bedoeld om je te verkleden. Ze lachten toen we er probeerden uit te komen en hielden het scherm strak voor de ingang.
“Uitkleden, uitkleden”, joelden ze.
Lotte haalde haar schouders op en deed haar badpak uit. Ik zag haar witte billen en de scheuren in haar hemdje. Of ze ook naar mij keek weet ik niet.

Wij sliepen op een kamer, de rode. Alle deuren hadden verschillende kleuren. Het was een kleine kamer, met twee bedden, tegen elkaar, en een raam waaruit je net de zee kon zien als je op een stoel ging staan. Ik vertelde haar verhaaltjes, die ik zelf verzon.
“Dit is het verhaal van de voorbijganger”, fluisterde ik. “Hij is heel stil. Je merkt niet wat hij doet.”
“Wat doet hij dan?”
“Jij moet op de stoel gaan staan en naar de zee kijken, dan merk je het wel.”
Ze kwam zachtjes uit bed, ging op de stoel staan en keek naar de zee. Zachtjes liep ik achter haar langs en trok voorzichtig haar pyjamabroek een stukje naar beneden.
Ze reageerde niet.
“Je merkt niks”, fluisterde ik en trok haar broek zachtjes verder omlaag, tot op haar enkels. Ze staarde onbewogen voor zich uit, terwijl ik haar billen bestudeerde in het zachte licht van de maan. Maar toen ik ze wilde aanraken trok ze haar broek op en zei: “Nou ik.”
Nu was het mijn beurt om naar de zee te kijken en niets te merken van de voorbijganger die mijn broek omlaag trok.

Vele jaren later, toen ik al studeerde, was ik nog eens terug in het pension van haar moeder. Ze waren inmiddels verhuisd naar een groter pand aan de boulevard. De kelder van het pension was vol zand gewaaid en diende leeg geschept te worden. Ik zou dat klusje met een aantal vrienden
opknappen. In ruil daarvoor mochten we een weekend in het pension verblijven.
Lotte bleek er ook te zijn, toen wij op vrijdagmiddag arriveerden. Of ze nog bij haar ouders woonde of voor de gelegenheid was langsgekomen wist ik niet. Ze was nu een jonge vrouw natuurlijk, maar ik herkende haar meteen aan haar ogen en haar brede mond. Ze was ook nog net zo weinig
mededeelzaam als destijds.
We voetbalden op het strand en Lotte deed ook mee, enthousiast, maar een beetje stuntelig met haar lange benen. Ze lachte en had er duidelijk plezier in.
‘s Avonds, toen we de kelder zo goed als leeg hadden gemaakt, kwamen de drank en de gitaren op tafel. Lotte zat er ook bij, in een hoek van de kamer, maar zong niet mee. Het leek of ze wel gefascineerd was door het gezelschap, maar er niet bij durfde horen.
Toen het laat werd besloot ik naar mijn kamer te gaan. Op de gang kwam ze mij achterop en pakte me bij de hand. Zonder te spreken nam ze mij mee naar haar kamer, een klein vertrek, ergens boven in het pension, met een twijfelaar en een raam met uitzicht op zee. Toen ik wat wilde zeggen legde ze een vinger op haar lippen. Ze duwde mij op het
bed en fluisterde: “de voorbijganger komt langs” en ging voor het raam staan, leunend op de vensterbank, starend over de zee.
De volgende ochtend was ze niet meer in de kamer en bleek ze ook niet meer in het pension te zijn.

Pas jaren later hoorde ik weer iets over Lotte. Ze kwam voorbij in een televisie-uitzending. Ze was vermist. In de foto herkende ik het blonde haar, de ogen en de mond van het meisje dat ik gekend had.
Ze was uitgegaan en niet meer thuis gekomen. Haar rugzakje was gevonden op strand, bij paal 89, maar zelf was ze spoorloos. Ze lieten beelden zien van een camera waarop ze kort met iemand sprak die zelf niet goed in beeld kwam. “Of het een bekende was of een toevallige voorbijganger weten
we niet, maar we willen graag in contact komen met deze persoon”, zei een politieagent. Voor een ongeluk werd gevreesd.
En, hoewel het een onzinnige gedachte was, omdat ik slechts een voorbijganger was geweest in haar leven, toch had ik het sterke gevoel dat ik daar toen had moeten zijn in die nacht, op het strand bij paal 89.
Ze werd nooit gevonden.