Categorieën
Fictie

Voor het begin

Als een meanderende waterdruppel in de zandvlakte liep je de treinwagon in en zocht je naar een lege plek. Met je rode haren vormde je een uitzondering in de kleurloze stofwolk.
Ik bedacht dat je Hannah moest heten. Zelfs nu weet ik niet waarom. Iedere bekende Hannah heb ik achteraf gegoogled, er zat er geen een bij die ook maar een beetje op je leek. Geen frons noch rimpeltje. Ergens was je knap, maar veel meer bijzonder. Waar zij iedere zin zouden beginnen met een kapitaal, zou jij hem eindigen met een komma. Bijna alsof je plotseling uit een ver verleden kwam opduiken. Al heeft het verleden veel gelijkenissen met de toekomst. Als er voor het begin niets was, moest er achter eindstreep ook niets zijn.
Hoe dan ook, in een moment waarop mijn oplettendheid richting mijn onderbroek kroop, kwam je tegenover me zitten. Zonder precies te begrijpen waarom, je gunde me immers nog niet eens een oog, verstijfde ik. Zo bleef ik je aanstaren, seconde na seconde. Je fascineerde me.

Minuten later: de stem van de NS-omroepster gaf aan dat Utrecht Centraal bereikt was. Je stond op en liet niets achter. Zelfs een doei was teveel gevraagd. Hoewel we elkaar pas een kwartier ontmoet hadden deed het pijn. Daarop zou ik, net zoals in romantische komedies, achter je aan rennen en je lippen voorzien met de mijne, die je nadien lieve kussentjes zou noemen. Je zou mee naar huis gaan, op bed liggen. Continu. Totdat de dag aanbreken zou waarop de zoetheid van de 20 plaatsmaakte voor de 30 en jij onze baby’s zou baren. Baby’s, een jongen en meisje, die Adam (mens) en Luna (maan) zouden heten. Jij vond de maan mysterieus, bestudeerde haar en kon verdwijnen in de omringende duisternis. Totdat je dat letterlijk deed. Het was een sluipmoordenaar geweest, je zou het niet doorhebben tot de dokter zeggen zou dat je nog drie dagen zou hebben. Kanker op de tong, of zoiets.

Maar in plaats daarvan verschool ik me achter mijn IPhone, achter Pokémon Go, achter de ziekte van laksheid. Inmiddels moest je bij de klapdeuren zijn, ik zat nog op mijn stoel. Overal om me heen deden mensen hun oortjes uit en stonden ze op. Een rij werd gevormd. Ik sloot aan, waarna ik ergens in het midden van de grijze massa belandde. Ineens raakte ik in paniek, ik voelde me thuis in de rij.