Categorieën
Fictie

Voor Amir

Vanavond vocht Noah voor de eergisteren overleden Amir. Coach, mentor en vaderfiguur. Ondanks de zenuwen zou hij een partij neerzetten waar Amir nog maanden mee kon pronken, daarboven op zijn wolk.
Noahs handen liepen de inhoud van zijn sporttas graaiend na: bokshandschoenen, bandages, waterfles, bitje… Ja, alles zat erin. Toch voelde de tas opvallend licht op zijn zware benen.
‘Heb je alles?’ vroeg Bob, mede-eigenaar van de kickboksschool en Amirs zelfverklaarde vervanger.
Noah knikte terwijl hij de tas dichtritste. ‘Denk het wel.’ Hij gebaarde naar de verwachte aankomsttijd op de TomTom. ‘We hadden eerder weg gemoeten.’
‘Geen zorgen, knul. Ik haal het wel.’ Bob trapte op het gaspedaal zoals Noah straks op de lever van zijn tegenstander zou trappen, een Turkse jongen die in Rotterdam in de kunst van geweld geschoold werd. ‘Ik haal het tenslotte altijd.’
Dat is je geraden, vriend, dacht Noah die de bui al zag hangen. Hij had jaren naar deze dag toegewerkt en weigerde Bobs geklungel met tijd tussen hem en zijn droom te laten komen. Zelfs het helse verdriet over Amirs plotselinge overlijden onderdrukte hij tot na de partij, ook al vrat het aan hem als maden tussen rottend vlees. Hij dacht terug aan de dagen waar hij met Amir bloedde, zweette en huilde; toch waren het vooral hun conversaties die hij zich sinds de donkere woensdagmiddag helder voor de geest haalde. Woorden bleven nou eenmaal steviger hangen dan klappen. Misschien omdat er geen één hetzelfde was.
In de verte doemde de A2 op. De weg die Noah naar een gevecht op leven of dood leidde.
Tot grote ergernis stopte Bob voor een op oranje gesprongen stoplicht. In het stille moment waarin niets dan het koortsachtige getik van de richtaanwijzer klonk, besloot Noah zijn ‘nieuwe’ coach vanuit zijn ooghoek te bekijken.
Bob had een voorkomen dat velen onmiddellijk weg deed kijken. Een vierkante Oostblok-kop, getatoeëerde stierennek en onheilspellende ogen. Ogen die je op CNN terugzag als er een school shooting had plaatsgevonden. Ook was hij adembenemend groot als een Zwitserse berg. Toen Bob zelf nog vocht was hij al een zwaargewicht, maar nu hij niet langer op de kilo’s hoefde te letten, bevond hij zich meer in de Terror Jaap-gewichtsklasse.
Nee, dacht Noah. Met hem moet je geen ruzie krijgen. Zelfs had hij dat al eens aan den lijve ondervonden, toen hij Bobs neus per ongeluk voor stootkussen had aangezien. Het was dat Amir die dag aanwezig was om tussen beide te springen, anders was het fout afgelopen – het soort fout dat de volgende dag de krant haalt.
De auto stond te dicht bij de stopstreep geparkeerd, waardoor Noah en Bob het bedrupte raam in de gaten moesten houden. Zodra de langgerekte regenslierten groen kleurden, kwam de auto in beweging.
Bij het invoegen bleef Bob op dezelfde snelheid rijden – alsof de rest van de wereld zich aan hem moest aanpassen, in plaats van andersom. Noah vond het hem een engerd. Volgens Amir was Bob vroeger een zoete man geweest, maar had het gedwongen einde van zijn carrière – een heupblessure – hem verzuurd. De vechtscheiding met zijn vrouw had hem verbitterd. En de dood van zijn zoontje, alweer drie jaar geleden, had hem bedorven, ondanks de zelfspot waarmee hij zout in de eigen wonden strooide.
Boze tongen beweerden dat Bob zijn jonge zoon eigenhandig gewurgd had, om hem niet aan zijn ex te verliezen. Een sterk verhaal, volgens Noah. Hoewel Bobs ogen, die vandaag extra onheilspellend en bedorven aandeden, niet bepaald in zijn voordeel werkten.
De invoegstrook liep dood en Noah zag de vangrail snel op zich afstormen.
‘Het is nu of nooit, Bob,’ zei hij.
‘Focus jij je nou maar op je partij,’ antwoordde Bob terwijl hij de felrode Suzuki Swift tussen de rij van eentonig zwart, grijs en zilver blik stuntelde. ‘Je had woensdag wel je rijbewijs gehaald als je het zo goed wist.’
Noah balde de vuisten die hij vanavond nog hard nodig zou hebben. ‘Je weet donders goed waarom het woensdag misging.’
‘Ja, ja. Een kwartier voordat je de auto inging had je… het van Amir gehoord.’ Bob schudde zijn hoofd. ‘Het leven zit vol tegenslagen. Échte vechters weten daar alles van.’
‘Hoezo echte? Wat ben ík dan volgens jou?’
‘Een amateur met een kans zich te bewijzen. Maak je geen illusies, knul – bij de pro’s gaat het er een stuk harder aan toe. Langere rondes, dunnere handschoenen, geen hoofdbescherming…’ Zijn boksers-grijns onthulde zwarte gaten in zijn gele gebit. ‘Het zal me benieuwen of je ze vanavond weet terug te koppen met die melkmuil van je.’
Noah week van het oorlogspad en ontspande zijn handen. Niet vanwege angst voor Bob, maar door Amirs belangrijkste regel die door zijn hoofd geschoten was: vechten doe je in de ring, niet daarbuiten. Dan had Amir veelbetekenend geknipoogd. Tenzij het zelfverdediging is.
Noah besloot er verder geen woorden aan vuil te maken en Bob in zijn eigen zout te laten oplossen. Met de capuchon over zijn hoofd getrokken, liet hij zich verder onderuit zakken in wat zijn laatste kans was om even niet aan vechten te denken.
Auto’s raasden haastig voorbij. Regendruppels tikte overvloedig tegen het raam. Ruitenwissers piepten heen en weer.
Noah schrok wakker uit een droom waarin hij telkens opnieuw knock-out geslagen werd door de woeste versie van de Turk die zich de afgelopen weken in zijn hoofd gevormd had. Hij wiens toorn Noah moest doorstaan.
Noah sloeg de kap af, rechtte zijn rug en keek door het raam. Niet naar hectometerpaaltjes en verkeersborden, maar naar dikke boomstammen en een modderig pad; beter geschikt voor een mountainbike dan een Suzuki.
Wat krijgen we…
‘Ah, hij is wakker,’ zei Bob, zijn logge handen losjes om het stuur gevouwen.
‘Waar zijn we?’ vroeg Noah terwijl hij de slaap uit zijn schichtige kijkers wreef.
‘Het Bakelse Bos. Helmonds groene long.’ Weer die grijns. ‘Je kan zien dat ze nooit gerookt heeft.’
‘Wat heeft dit te betekenen, Bob?’ Noah keek op de klok en beet vervolgens hard in zijn wang, kwader dan ooit. ‘De wedstrijd is in Oss, achterlijke idioot die je bent! Dat gaan we nooit halen!’
In plaats van te reageren, bleef Bob recht voor zich uit staren; zijn boksers-grijns breder en breder.
‘Bob? Zeg verdomme wat!’
Maar Bob zei niets, rijdend achter het gele licht van de koplampen.
‘Ik wil eruit,’ zei Noah die zich met de seconde misselijker voelde worden.
‘We zijn er bijna,’ zei Bob. ‘Nog even geduld.’
‘Waar zijn we bijna?’ Noah zocht de oneindige rijen bomen tevergeefs af op een teken van beschaving. ‘Bob?’
Stilte.
Het verspringen van minuten op de verwachte aankomsttijd voelden als gemene leverstoten. Elke afgelegde meter die hem verder van de sporthal in Oss verwijderde als een rechterhoek. En de gedachten dat hij niet voor Amir kon vechten, was als een uppercut die Noah uitgevloerd op het canvas naar de felle lampen boven de boksring deed kijken.
Op een open plek liet Bob de auto tot stilstand komen, daar waar de bomen al hun bladeren verloren hadden. Hij drukte op het knopje dat de deuren simultaan opende, kroop de auto uit en nam een gevechtshouding aan: vuisten aan weerszijde van zijn kin, benen een halve meter uit elkaar, knieën licht gebogen…
‘Daar gaan we, knul,’ zei hij. ‘Jij en ik, tot de dood. Geen handschoenen, geen regels en geen dokter om de verliezer van blijvende schade te redden.’ Hij gooide de autosleutels in het gras dat hen scheidde. ‘Slechts een van ons zal dit bos verlaten.’
‘Waarom?’ wilde Noah weten terwijl hij zijn vuisten instinctief naar zijn gezicht bracht. ‘Is dit wraak voor je neus?’
‘Nee,’ zei Bob die ondanks de gestoorde situatie vreselijk moest lachen – of misschien juist daardoor. ‘Je doet me aan m’n zoon denken… en dat doet pijn.’ Hij knarste zijn tanden. ‘Hij had hier in mijn auto moeten zitten, niet jij! Nu die slappe zak van een Amir je niet langer kan beschermen, ben je eindelijk van mij!’
‘Bob, het spijt me als ik je kwaad heb gemaakt,’ zei Noah, verkild van angst. ‘Maar wat je… nu van plan bent…’
Noah stopte zichzelf. De blik in Bobs ogen verklapte dat hij niet voor rede vatbaar was. Dit was niet de trainer uit de boksschool, maar een vader die zijn zoontje gewurgd had. Een man die enkel de taal van geweld sprak.
Noah zocht de bosrand wanhopig af, zoekend naar een uitweg in de vorm van een verdwaalde vogelaar of een medewerker van Staatsbosbeheer – die beiden uiteraard niet verschenen. Nee, als hij hier weg wilde komen, moest hij ervoor knokken.
Dit belooft inderdaad een knaller van een debuut te worden, dacht hij terwijl er druppels koud zweet over zijn ruggengraat kronkelden. Niet als bokser, maar als moordenaar. Of als lijk.
Noah hapte het bitje binnen dat hij nog snel uit zijn tas had weten te grissen. Hij ademde diep in en uit, in een poging te kalmeren. Daarna zette hij zich schrap.
Om de wereld van een griezel als Bob te ontdoen.
Om te overleven.
En bovenal: om Amir trots te maken.
Uit zelfverdediging.