Categorieën
Fictie

Vind je dat normaal?

Ik ben opgegroeid in deel 2 van de Truman-show. Ik bedoel, toen allang iedereen wist dat de perfecte wereld één groot toneelstuk was, bleef ik hardnekkig geloven dat Utopia gewoon een dorp om de hoek was. Niet dat ik daar mijn best voor moest doen of zo. Nee, dat ging vanzelf. Jij zorgde ervoor dat alles waar ik aan begon, tot een succesvol einde werd gebracht. Ik wist wel dat jij mij die berg op duwde, als je naast me fietste, maar je gaf me het gevoel dat ik het zelf deed. Toen ik in groep drie op woensdag middag thuis een herfst-kijkdoos had gemaakt met wat mos en bruine bladeren, stonden er de volgende ochtend kunstig gemaakte hertjes van kastanjes en dennentakjes en miniatuur paddenstoeltjes met echte kabouterdeurtjes in. De Sinterklaaskleurplaat die we bij de Co-op mochten inleveren, won elk jaar weer de eerste prijs. Men vond het blijkbaar geweldig dat een meisje van zes zo mooi binnen de lijntjes kon kleuren.
Bij alle lekke banden die mijn fiets ooit heeft gehad, deed je nog één keer voor hoe je een band moet plakken. En dan was ik zo trots dat ik dat weer zelf had opgeknapt.
Toen mama stierf, huilde iedereen om ons heen, maar jij deed me geloven dat verdriet voor ons niet gold. Je lachte altijd, en als ik vroeg waar ze was, zei je dat ze was gaan wandelen, naar de plek waar paarse heide de groene dennen raakte. Langs het vennetje dat de kleuren van het bos zo mooi spiegelde dat je van een afstand niet kon zien waar het water ophield en de oever begon. Dat ze daarna was doorgelopen naar de bergen waarvan het hoogste puntje met slagroom was bedekt. Als je die bergen opklom werd het alleen maar warmer in plaats van kouder, omdat je dichter bij de zon kwam die altijd scheen. Jaloersmakend mooi. Dat was de plek waar mama was. En ik geloofde je. En was blij voor haar.
Niets of niemand heeft mij ooit teleurgesteld. Niet omdat ze het niet probeerden, maar omdat jij het niet toeliet. Zonder dat ik het wist, was jij mijn schild. Onzichtbaar, en ondoordringbaar. Als er al kinderen om me heen waren dan kon ik altijd wel iets van ze leren. Vriendjes en vriendinnetjes die kwamen spelen, waren zorgvuldig door jou geselecteerd.
Met Joris speelde ik viool, en maakte ik kennis met Mozart en Vivaldi. We deden een kaartspelletje met Patriek en Annabel. Wist ik veel dat zij bij de beste jeugd Bridgers van die tijd hoorden.
Ik tenniste met Mats, maar toen je zag dat mijn talent daarin geen gelijke tred met het zijne kon houden, koppelde je mij aan Antoinette. Zij zat op ballet.
Andere kinderen heb ik toen nooit ontmoet. Geen tijd voor. Want jij liet me de natuur zien. De bossen, de zee, de bergen. Samen wandelen, fietsen of rijden, uren lang. En jij vertelde me alles wat je wist.

En toen ik oud genoeg werd om te gaan zien wat je deed, ik denk zo vanaf mijn twaalfde, liet ik het maar zo. Jij was sterk in je rol als beschermheer. Ik vroeg om hulp. Niet omdat ik het nodig had, maar om jou een plezier te doen. Met school, met vriendjes, met alles eigenlijk.
Ik zag hoe je straalde als je me hielp en dat probeerde voor me te verbergen. Je zei: “Ik laat je los”. Je dacht: “ik hou je vast”. Ik zei: “Ik kan niet zonder jou”. Ik dacht: “jij niet zonder mij”.

Maar nu, ‘Pa’, nu sta ik hier. Nog lang niet klaar, nog lang niet af. Hoe moet dat nou, als mijn band weer lek is?
Jij daar, op weg naar de warme bergtop. Wie weet, zie je ma wel in het spiegelven.
Ik vind het niet eerlijk, hoor. Je bent er zomaar tussenuit gepiept.
“Vind je dat normaal?” ”Vind je het niet gestoord dat je daar hangt papa?”