Categorieën
Fictie

Vervloekt

VERVLOEKT

Steve’s benen begaven het bijna. Al minstens een half uur droeg hij Tim op zijn rug en het zweet gutste van zijn gezicht. Hoe koud het buiten ook was, hij voelde het niet. Voortgedreven door adrenaline zette hij stap voor stap zijn voeten vooruit. Wat is er in vredesnaam gebeurd, dacht hij koortsachtig.
Gisteren waren de vijf vrienden met een excellent humeur vertrokken voor hun jaarlijks uitje: een 3-daagse survivaltocht. Steve had van te voren niet kunnen bedenken, dat het uitstapje zou uitmonden in een échte survival, waarbij hun levens op het spel kwamen te staan.
Zo’n drie uur nadat de tocht van start ging, hadden de eerste sneeuwvlokken het vijftal compleet verrast. Ze waren al te ver gevorderd om terug te gaan en bovendien waren ze goed uitgerust. Er hing een gemoedelijke sfeer en Oscar zei dat een sneeuwbui de pret niet kon bederven. De anderen knikten instemmend en sloegen elkaar kameraadschappelijk op de rug. Al snel verstomden de gesprekken en de sneeuw dempte alle geluiden, zodat alleen het gekraak van hun voetstappen in de sneeuw hoorbaar was. Een ijzige stilte daalde neer over het gezelschap. Niemand gaf toe dat hij liever terug wilde naar de bewoonde wereld, dus liepen ze stug verder door de inmiddels steeds groter groeiende sneeuwlaag.
Oscar nam het voortouw en stopte na enkele uren. “Het lijkt me beter om onze tenten op te slaan. Hier hebben we beschutting van de bomen. Als we verder lopen, krijgt de wind vrij spel en zijn we overgeleverd aan de grillen van moeder Natuur.”
Inmiddels waren bij de andere vier kameraden de lippen enigszins blauw aangelopen. Ze knikten bevestigend en lieten dankbaar de zware rugzakken van hun ruggen glijden. Vijf plofjes klonken zacht in de dikke laag sneeuw.
Met ijskoude, verkleumde vingers begon de groep met het opzetten van hun tenten; twee om precies te zijn. Doordat het ijzig koud was, werkten ze snel en binnen een mum van tijd stonden de tenten op.
Genietend zaten ze even later boven een dampende kop koffie; hun vingers, tenen en oren tintelden. Met de warmte weer in hun lichamen, kwamen de praatjes snel terug. Toch vergden de inspanningen van die dag hun tol en de eerste mannen zaten al gauw knikkebollend boven hun kopjes. Bier of andere alcoholische versnaperingen lieten ze nu liever achterwege. De warme lichamen en de mummyslaapzakken zorgden voor een aangename temperatuur in de tent, al kwam die buiten nauwelijks boven het vriespunt. Om tien uur ’s avonds lag iedereen in diepe rust en hoorde je alleen gesnurk.
Of toch niet?
Bij de tent klonk een geluid, dat steeds dichterbij kwam. Een diep, ronkend geluid, als een zware machine die langzaam op stoom kwam. Frank, de lichtste slaper, woelde onrustig en het duurde even, voordat hij terugkeerde naar een droomloze slaap. Hij leek in z’n binnenste te voelen dat onheil naderde, al was hij zich daarvan niet bewust. Over zijn gezicht trok een waas van angst. Waar Frank last leek te hebben van het geheimzinnige geluid, waren de anderen zich van geen kwaad bewust en lagen in diepe rust.
Om twee uur ’s nachts werd Tim wakker met een iets te volle blaas en om van z’n ongemak verlost te worden, verliet hij zachtjes de tent en zocht een plekje om zijn blaas te legen. Hoewel hij nog rozig en warm was van de slaap, bekroop hem een naar gevoel. Rillingen trokken als kronkelende slangen over zijn rug en bezorgden hem kippenvel van top tot teen. Hij zag niets, maar stond verlamd van angst aan de grond genageld. Vanuit het niets omvatte een ijskoude hand zijn hart en enkele minuten later, stortte hij als een rotsblok neer en bleef doodstil liggen. Het monotone geluid verdween, evenals een doorzichtige schim .
Die ochtend ontwaakten de vier vrienden met een zwaar hoofd en constateerden dat Tim niet meer in één van de twee tenten was. In paniek gingen ze op zoek naar hem, maar zagen door de immer voortdurende sneeuw, geen hand voor ogen. Uiteindelijk struikelde Fred over een hard voorwerp. Bij nadere inspectie bleek het om Tim te gaan, die bevroren als een ijsblok in de metersdikke laag sneeuw verstopt lag.
“What the hell”, schreeuwde Fred het uit. De anderen snelden zijn kant op en verbijsterd zagen ze het levenloze lichaam van hun vriend Tim.
Niemand wist wat er gebeurd was, al speculeerden de mannen druk over mogelijke oorzaken. Ze waren het erover eens dat ze zo snel mogelijk hier vandaan moesten. Hetzelfde nare, onbestemde gevoel overviel het viertal.
De ondoordringbare mist, die plotseling opzette, en de ijzige wind die dwars door hen heen leek te blazen, maakten dat de vrienden de tenten lieten voor wat ze waren. Zo snel als ze konden, renden ze de hele weg terug naar de auto’s. Het gezelschap voelde een onzichtbare aanwezigheid, die hen angst inboezemde. Ze hadden steeds de neiging achterom te kijken en verwachtten ieder moment een vreselijk monster in de ogen te staren. Het viel dan ook niet mee Tim te dragen, want een overleden lichaam weegt gevoelsmatig een ton. Ieder om de beurt droeg Tim op zijn rug om na een tijdje uitgeput hun vriend aan een ander over te dragen.
Terug bij de auto legden ze Tim voorzichtig op de achterbank van Steve’s auto en Oscar stapte in de andere auto met de overige vrienden. Sneeuw spatte aan alle kanten omhoog toen de auto’s in hoog tempo wegreden.
Op de grond lag een omgevallen waarschuwingsbord, waarop de volgende tekst nauwelijks te lezen was:
“50 jaar geleden kwam door een gruwelijk misdrijf de 37-jarige David om het leven. Zijn lichaam werd jaren later gevonden en omwonenden waarschuwen mensen het bos niet te betreden. De verwarde, boze geest van David zou nog altijd op deze plek rondwaren en op zoek zijn naar slachtoffers om zijn woede op los te laten. Sinds zijn verdwijning vinden er met regelmaat onverklaarbare en mysterieuze incidenten met dodelijke afloop plaats. Pas dus goed op, wanneer u het bos betreedt en verlaat het voor zonsondergang.”