Categorieën
Fictie

Verraad

‘Wat geniet ik toch van deze tijd het jaar. En zo warm nog. Het is toch veel te warm voor oktober?’
Mijn zus lijkt mij niet te horen. Haar ogen zijn strak op de weg gericht. Met beide handen houdt ze krampachtig het stuur vast.
‘Hé zus, relax even! Je ziet er zo gespannen uit. Je knokkels kleuren helemaal wit. Gaat het wel goed of zal ik even rijden?’
‘Nee, het gaat goed, hoor,’ zegt Ellen. Haar stem klinkt kalm.
‘Het is alleen dat ik niet meer zo vaak achter het stuur zit. Dat is alles. Ik moet weer even inkomen.’
‘Oké, maar geef vooral een gil als ik het van je moet overnemen,’ zeg ik.
Zit je niet rustig naast mij dan?’, vraagt ze.
Ze laat het gaspedaal los, drukt de koppeling in en schakelt terug naar de derde versnelling als ze een vrachtwagen nadert die nog geen 30 km per uur lijkt te rijden. ‘Oh, nee, dat is het niet, ik zit prima naast je,’ lieg ik.
‘Ga er maar langs, je hebt ruimte zat.’ zeg ik.
Ellen twijfelt zichtbaar, maar geeft uiteindelijk toch het knipperlichthandeltje een tikje naar beneden en haalt de vrachtwagen in.

Van hordes toeristen die je in de zomer op deze wegen tegenkomt is nu absoluut geen sprake. Het is rustig en zo te zien rijdt er bijna alleen lokaal verkeer.
‘Jaren geleden ben ik hier alleen met mama een weekje geweest,’ zeg ik.
‘Ik kan mij niet meer zo veel herinneren en ik weet ook eigenlijk niet waarom ik alleen met mama was, maar ik weet nog dat wij elke avond gingen eten in het restaurant van monsieur Bertrand. Dat vond ik best raar, maar ja, hoe kon ik het toen weten hoe het zat?’ Ellen mindert vaart en slaat een klein weggetje in dat gelijk steil omhoog loopt. Bij een inham parkeert ze de auto en ze zet de motor af.
‘Hé, wat doe je nou?’ vraag ik verbaasd? ‘Waarom stop je de auto? Wil je toch liever dat ik rij?’
Ellen zegt niets. Zij doet haar gordel los, opent het portier en stapt uit. Ze steekt de weg over en loopt een pad in. Ik stap ook uit en loop haar achterna. ‘Hé, Ellen, wacht even op mij! Waar ga jij naartoe? Wat is er nou? Hé, geef eens antwoord!’
Mijn zus is gaan zitten op een dikke boomstam. ‘Jeetje, wat heb jij nou weer?’ vraag ik als ik naast haar sta. ‘Waarom loop je ineens weg zonder iets te zeggen?’
De boomstam voelt klammig aan. Ik trek mijn jas net iets over mijn billen en ga voorzichtig op de boomstam zitten. Ellen kijkt voor zich uit en ontwijkt duidelijk elk oogcontact met mij. Ze haalt een pakje sigaretten te voorschijn uit haar jas.
‘Oh, ik dacht dat jij gestopt was met roken?’ zeg ik verbaasd bij het zien van de sigaretten.
De frisse herfstlucht vult zich met sigarettenrook en er ontstaan zichtbaar blauwe kringen rook die door de lucht zweven.
Ellen neemt een diepe hijs van haar sigaret. De rook ontsnapt door haar neus naar buiten.

‘Jessica, ik kan niet meer toneelspelen, zegt Ellen. ‘Ik kan het gewoon niet meer!’
‘Wat kan je niet meer?’ vraag ik. Deze serieuze toon van mijn zus had ik niet zien aankomen. Een licht paniekerig gevoel borrelt bij mij op. Ellen begint te huilen.
‘Mijn hemel, Ellen, wat is er met jou aan de hand? Hé, wat is er?’
Ik trek aan haar arm. Ik wil dat zij zich naar mij toe draait en mij aankijkt.
‘Nou?’

‘Paul. Het gaat over Paul,’ zegt ze.
‘Paul? Welke Paul?’ vraag ik. Mijn hart begint sneller te bonzen bij het horen van die naam.
‘Ja, jouw Paul. Ik heb jouw Paul gezien,’ zegt ze.
‘Hoe kan jij mijn Paul hebben gezien? Mijn Paul is al 5 jaar vermist en hoezo staat hij na ineens bij jou voor de deur en niet bij mij? Waar heb je het over Ellen?’ vraag ik.
‘Hij leeft, Jessica!’ zegt ze.
‘Meen je dat nou?’ vraag ik.
‘Ja, Jes, hij leeft en hij woont al jaren in Nederland en niet eens zo ver bij mij vandaan. Al die jaren heeft hij het niet aangedurfd om jou en de kinderen op te zoeken. Niet na alles wat er is gebeurd. Hij is té bang voor jouw reactie. Dat jij het hem niet vergeeft omdat hij jou en de kinderen in de steek heeft gelaten. Met jou komt het nooit meer goed, dat weet hij ook wel, maar hij wil contact met de kinderen. Zij zijn nu op een leeftijd dat zij het misschien wel snappen waarom hij is weggegaan.’

‘Snappen waarom hij is weggegaan? Hij heeft blijkbaar nooit de moeite genomen om ons te laten weten dat hij nog in leven is? Zelfs de Franse politie weet dat niet. Nee, dat begrijpen de kinderen niet. Geloof mij maar.’
Ik ontplof van woede als ik eraan denk dat hij mij en onze twee kleine kinderen dus in de steek heeft gelaten in dat landhuis in het zuiden van Frankrijk.
Aangespoord door programma’s als ‘Ik Vertrek’ hadden wij onszelf wijsgemaakt dat ons leventje in Nederland saai en burgerlijk was en dat wij zo’n avontuur in het buitenland best aan zouden kunnen dus begonnen wij een bed en breakfast. Natuurlijk liep het allemaal anders dan voorzien en een rooskleurig leven was het allerminst. Al helemaal niet met twee kleine kinderen die aandacht nodig hadden en verdienden. Op een ochtend was hij weg. Geen briefje, niets.
Tot op de dag van vandaag wist ik niet wat er met hem was gebeurd.
‘Het lijkt erop alsof u in de steek bent gelaten, mevrouw’, zei de Franse politie al gauw. ‘Niets wijst erop dat hij dood is. Maar helemaal zeker weten zij dat ook niet. Wij houden u op de hoogte zodra wij iets te weten komen.’ Al jaren heb ik geen contact meer met de politie.

‘En hoe lang weet jij dit al?’ vraag ik. Waarom heb mij dit niet meteen verteld? Nou, vertel op: hoe lang weet jij dit al en waar is nu?’
‘Een maand en hij woont bij mij,’ zegt Ellen.
‘Een maand!’ schreeuw ik uit. ‘En hij wóónt bij jou? Ellen, wat is hier aan de hand, wat gebeurt er?’
‘Ja, hij woont al een maand bij mij en hij heeft mij gevraagd jou niets te vertellen. Hij wil zelf het juiste moment uitkiezen om de kinderen te benaderen.’
‘En daar geef jij gehoor aan? Verdikkie Ellen, hoe vaak heb ik jou niet gesproken de afgelopen maand? En al die tijd zat Paul bij jou op de bank?’
Ik heb een enorm droge mond, maar het flesje water ligt in de auto. Alles ligt onbewaakt in de auto.
‘Ik doe nu toch mijn mond open?’ zegt Ellen.
In alles voel, ruik en zie ik de paniek bij mij zus.
‘Jij bent verdomme mijn zus, Ellen. Als er iemand is die moet weten door wat voor hel ik ben gegaan al die jaren dan ben jij dat wel. En jij houdt dit voor mij verborgen? En voor mijn kinderen? Wij zijn hier wel klaar. Laten wij gaan. Mama, Ralf en Paula zullen zich afvragen waar wij blijven.’
‘Toch is er nog iets dat ik moet vertellen,’ zegt Ellen. Wij houden onze pas in.
‘Oh, ja hoor, nog een onthulling? Kom maar op met die verrassing,’ zeg ik op een sarcastische toon.
‘Paul en ik hebben een relatie. Jouw verdwenen man en ik zijn verliefd op elkaar.’

Zes balken tel ik op het plafond van een onbekende kamer waar ik alleen lig. Buiten is het donker. Waar ben ik? De deur naar de gang staat open en ik hoor stemmen die ik niet goed kan plaatsen. De laatste balk bij het raam zijn ze vergeten te verven. Die is lichter van kleur.
Een verpleegster komt de kamer binnengelopen.
‘Ah, Madame, wat fijn, u bent wakker. Bent u dat al lang?’ Zij pakt een pennetje uit haar borstzakje en schijnt daarmee in mijn ogen. ‘Goed zo,’ zegt ze. ‘De dokter zal u straks ook nog even onderzoeken, maar ik ga ervan uit dat u snel naar huis mag. Wat een schrik was dat nou toch, hè?’