Categorieën
Fictie

Verloren

Verloren

Pas als het bijna te laat is, voelt ze het paniekerige zweet. Het kondigt zich kriebelend aan op de huid van haar gespannen rug, als een laatste waarschuwing. Als ze niet heel snel de controle terugpakt zal hij merken wat er aan de hand is. Gelukkig is ze voorbereid en heeft ze thuis geoefend op een ontspannen blik; linker mondhoek wat naar boven gekruld en neusvleugels een beetje open, als bij een klein kind dat poffertjes ruikt. Haar hysterisch pompende hart stuwt nog wat meer bloed door haar vernauwde aderen. Het kan niet anders, dit moet hij opmerken. Om de indruk van ontspannen zelfverzekerde vrouw te wekken gaat ze wat verzitten. Ze glimlacht. Er is nog niets verloren.

Hij zit recht tegenover haar en geniet van de zoveelste sollicitant die wanhopig haar best doet om iemand te zijn die ze niet is. Gea van Dijk, die naam alleen al. Kansloos. Die samengeperste lippen, het gebazel over de talen die ze spreekt en de bestudeerde adempauzes, hij heeft het allemaal al honderd keer gezien. Alleen dit keer is het anders; hij voelt het, hij ruikt het en hij proeft het. Ostentatief kijkt hij op zijn horloge terwijl hij wat verder onderuit zakt in zijn stoel. Als zij zo nodig een spelletje wil spelen, dan is hij de beroerdste niet. Als íemand daar goed in is, dan is hij het wel. Tergend langzaam roert hij in zijn lauwe koffie terwijl zijn blik op haar piepkleine borstjes rust. Hij schat in dat ze roze tepeltjes heeft, als die van pasgeboren biggetjes.

Er hangt iets in de lucht, dat voelt ze aan elke vezel in haar lijf. Ze is zijn prooi, de gazelle die niet veel meer kan doen dan stokstijf stilstaan in het open veld, in afwachting van de hongerige leeuw. Voordat haar reptielenbrein het overneemt zal ze haar bevroren lijf in beweging moeten brengen.

Godzijdank weet ze zich te herpakken. Rustig doorpraten en af en toe zelf een vraag stellen, dat kan ze wel. Zichzelf kalmeren en rustig overkomen, zo heeft ze haar hele jeugd weten te overleven. Doorademen, altijd doorademen.

Dan voelt ze het. Heel langzaam glijdt het zijden sjaaltje, dat ze nonchalant om haar hals heeft geknoopt, naar beneden. Millimeter voor millimeter voelt ze het zakken en er is niets dat ze kan doen. Het gevoel van reddeloos verloren zijn voelt als zware bruine klei die te lang in de zon heeft gelegen. Als een zware bal in haar buik die op geen enkele manier te negeren is. Ze moet weer denken aan de eindeloze uren met haar zwijgzame vader die, door nooit wat te zeggen, juist alles zei; dat ze niet goed genoeg was, hoezeer ze ook haar stinkende best deed en dat ze nooit zou kunnen tippen aan haar perfect gelukte zusje. En dat het leven in ieder geval niet maakbaar was.

Hij weet ineens aan wie ze hem doet denken. Als klein jongetje had hij een buurvrouw. Hij had haar altijd een beetje vreemd gevonden. Hoekig, hard en ongenaakbaar. Ze had grote gele tanden met een onsmakelijk laagje spuug. Dat had hem gefascineerd. Op haar dunne rode bovenlip zaten kleine verticale rimpeltjes, van waaruit lippenstift naar boven kroop. Daardoor leek het net of er rode grassprietjes uit haar lip groeiden. Haar grote handen lagen nooit eens rustig stil op haar schoot. Ongecontroleerd fladderden ze alle kanten op terwijl ze sprak. Ze droeg sandalen, of het nou warm was of koud was en haar teennagels waren dik en ribbelig. Hij had daarvan gegriezeld en toch was hij er altijd naar blijven kijken. Een soortgelijk gevoel had hij nu ook. Een mengeling van afkeer en fascinatie, van kalmte en opwinding. Een gevoel van ongrijpbaarheid.

Ze probeert uit alle macht om niet te slikken want dat zou haar kunnen verraden. Een plasje speeksel verzamelt zich in het kuiltje onder haar tong. Het voelt alsof de stoel waarop ze zit het op elk moment kan begeven.

Op het moment waarop hij haar geheim ontdekt, vliegt er een vogel vlak langs het raam. Even is ze afgeleid. Heel even ziet ze gewoon een grijs vogeltje, in een wereld waarin er niets aan de hand is. Hierdoor mist ze de blik van ontzetting, de verkramping van zijn geaderde handen en het fletser worden van zijn lichtblauwe irissen. En ze ziet pas de vernauwing van zijn pupillen als het te laat is.

‘Ik wil graag even uw legitimatie zien.’ Zijn vraag overvalt haar compleet. Als vertraagd voltrekken zich de seconden die volgen. Als een echo weerkaatsen zijn woorden tegen de witte muren van het smakeloos ingerichte kantoor.

‘Gerard van Dijk, geboortedatum 18 mei 1968, geslacht m.

In de kamer hoor je alleen nog het zacht ruisende geluid van de verwarming.