Categorieën
Fictie

Verloren

Op een druilerige, grijze ochtend keek ze zoekend om zich heen. Langs de stoeprand, tussen de weg en de berm. Zoekend naar, ja, naar wat eigenlijk? Naar hoop op beter weer? Hoop op betere tijden? Naar steun in haar zoektocht?

Ongeveer tien meter verder stond een fiets nonchalant geparkeerd. Voorwiel licht gedraaid, een beetje scheef terwijl de motregen de handvatten verder afkoelde. Dit was zo’n ochtend die wel hoop kon gebruiken, hoop dat de dag minder somber zou worden. Daar was ze naar op zoek, iets dat haar dag wat meer kleur kon geven.

Drie, vier fietsers gingen voorbij zonder haar aandacht te schenken. Allen met een doel voor ogen, een doel dat groter was dan de zoektocht. Zij wisten niet hoe lang ze daar al stond. En niemand leek van plan de tijd die ze er nog zou staan in te korten. Ze bleef maar staan, in gedachten zoekend, zonder daadwerkelijk vooruit te komen. Nee, ze zocht niet naar de honderdzestig euro die ze er nog niet zo lang geleden voor had betaald.

Plotseling schrikte ze op uit haar gedachten, één van de fietsers was omgedraaid en was haar nu dicht genaderd. De fietser vroeg of ze hulp kon gebruiken bij haar zoektocht. Hoewel ze zich bezwaard voelde, stemde ze in met het verzoek. Nu zochten ze samen op de weg, in de berm of.. nee, toch niet in de put?

Ze probeerde met de helft die ze nog wel had wat er kon gebeuren; zou het stuiteren, zou het rollen? De conclusie bracht hen niet veel verder, totdat de fietser ineens iets riep. “Hier!” Ze veerde op, vol ongeloof, met energie. De regen leek te stoppen, ze zat niet langer in haar eigen put. Meer nog dan de muziek die ze weer kon luisteren, die haar dag zou opvrolijken, had ze hoop gevonden. Hoop dat er iemand voor haar klaar stond als het nodig was.