Categorieën
Fictie

Vergeten

VERGETEN

‘Ik weet niet wie u bent, maar komt u gerust verder.’ Dit waren de woorden waarmee hij me vaak had binnengelaten. Vanmiddag is het anders merk ik als hij de voordeur van zijn aanleunwoning voor me open doet. ‘Daar ben je. Gezellig,’ en hij noemt mijn naam. ‘Doen we ook een borrel?’ voegt hij er direct aan toe.
‘Natuurlijk. Voor de vorm beginnen we met een kop thee, vindt u dat goed? Uw kinderen doen me wat als de Thuiszorg u vanavond lallend aantreft.’ Ik verberg mijn onvermijdelijke betutteling graag achter een ander.
Zijn rollator is al met hem omgedraaid, waardoor ik praat tegen een kalend kruintje met wat grijze dwarse haartjes, dat net uitkomt boven een gekromde rug. Zijn schouderbladen steken in zijn spencer omhoog als bergen in het landschap van een ouderwetse treintafel. Ik hoor hem grinniken. ‘Geen zorgen. Mijn kinderen zeggen de hele tijd toch al, ‘pa je moet goed drinken’ en hij imiteert de stem van zijn dochter.
Mijn hart maakt een klein sprongetje. Als ik vandaag toch eens meer van zijn humor mag horen, een glimp mag opvangen van de man die hij eens was. Misschien kunnen we ergens op doorgaan in plaats van enkel iets aanstippen.
Zijn sloffende pantoffels houden even op met slepen. Voor de woonkamerdeur roept hij met krachtige stem naar achteren; ‘kom je nog?’ en ‘hang je jas maar snel op.’ Ik volg gedwee.

Door een heupoperatie is hij zowel cognitief als motorisch onderuit geschoffeld. Een paar weken terug heeft zijn dochter mij gevraagd te helpen in de hoop een verhuizing naar het verpleeghuis zo lang mogelijk uit te stellen. Elke donderdagmiddag houd ik hem gezelschap. Wanneer ik vertrek zit hij weer in zijn fauteuil voor de boekenkast met een maaltijd en hopelijk een fijne middag achter de rug. Daarna neemt de Thuiszorg het over.

Als je de goed verwarmde woonkamer binnenkomt, staat daar een immense boekenkast, die de hele lengte van de woonkamer beslaat, als ware het de muur zelf. Imponerend, barstensvol. Hier en daar dubbele rijen en dwarse stapeltjes. Alles op alfabetische volgorde. Mijn blik wordt vastgezogen door een rij ruggen op de planken van de letter H. Ondertussen vraag ik hem hoeveel hij wel niet van boeken houdt.
Het is mij niet duidelijk of hij mij gehoord heeft. Ik kijk om en zie dat hij ingespannen bezig is met allerlei manoeuvres om in de juiste positie te komen voor zijn fauteuil. Dan staat hij stil, kijkt steels naar achteren voor een laatste check en laat zich dan vallen. Vlak voordat zijn bips op de zitting ploft, grist hij een oud schriftje uit de stoel weg. Zijn corduroy broek bolt op rond zijn magere benen. Een seconde lijken ze op die van de jongeman in de bergen, wiens foto op dat vettige prikbord in het keukentje hangt. Al snel daalt de stof neer.
‘Ik houd van verhalen.’ Hij heeft mij toch gehoord. ‘Een mens met verbeelding is een rijk mens.’ Tevreden pakt hij een leesbrilletje, ademt op de glazen en wrijft ze schoon met een zakdoek uit zijn broekzak. Trefzekere bewegingen.
‘Soms is het gewone leven ook net een verhaal, toch?’ merk ik op.
‘Oh zeker. Vaak zelfs.’ Hij zet zijn brilletje op, sluit de ogen en lijkt in gedachten verzonken.
Om niet te storen ga ik stilletjes op het stoeltje naast hem zitten. Doorvragen of stil zijn? Zijn reactie doorkruist mijn afweging.
‘Maar het leven is soms te eng, te verschrikkelijk.’
Nu aansporing vanmiddag niet nodig lijkt, beperk ik me tot een ‘oh, ja?’
Hij opent zijn ogen maar een klein beetje, draait zijn hoofd in mijn richting en begint te vertellen. ‘Ja. Zeker voor twee 10-jarige Amsterdamse jongetjes tijdens de oorlog. Mijn fantasie heeft mij de oorlog doorgeholpen kan ik wel zeggen. En mijn buurjongen. Elke dag schreven we allebei in een schriftje een stukje verder van een verhaal. Eerst nog met pen, later met potlood. Eerst nog met gewone letters, daarna met pietepeuterige lettertjes. Vlak voor de avondklok wisselden we dan de twee schriftjes uit en in bed las ik altijd bij een kaars snel zijn stukje. En dan begon het broeden. Elke keer deed ik weer mijn best om de grootste gekkigheid te bedenken. Hoe gekker, hoe meer onze fantasie werd geprikkeld.’
Ik glimlach. ‘Dat wil nog wel eens het moment zijn dat verhalen en dromen of zelfs nachtmerries ontstaan. Als het donker is, bedoel ik.’
‘Ach meisje.’ Hij schudt zijn hoofd tweemaal stevig heen en weer, waarna het nog enige tijd lichtjes blijft door schudden. ‘Laten we het niet over de nachten hebben. Nog altijd hoor ik die geluiden. Die van de nacht. Het geluid van een vrachtauto die de straat inrijdt en dan ergens remt. Het bevelende bonken op een deur. De paniek die ik soms niet alleen kon horen, maar ook voelen.’
Zijn schouders vallen naar voren en hij kijkt naar de grond. ‘Nee, we moeten het niet hebben over het gesmoorde huilen, de gefluisterde gesprekken, de angst die uit de straat omhoog kringelde als sigarettenrook.’
Hij haalt diep adem, maar zijn borstkas zakt daarna weer in elkaar. Hij kijkt boven zijn brilletje naar mij op. ‘Weet je, ik fantaseerde dan dat die geluiden altijd zo gedempt klonken, omdat er sneeuw lag. Dan schetste ik in mijn hoofd een beeld van de straat met spierwitte, verse sneeuw. Dat hield ik helaas nooit lang genoeg vol. Nadat alles vertrokken was uit de straat, was het juist die stilte die zo’n pijn deed aan je oren.’

Ademloos luister ik naar zijn woorden. ‘En dat voor een jongetje van 10 jaar, verscholen onder zijn dekens. Wat heeft u veel angst gekend.’
Hij reageert niet op mijn woorden, vervolgt zijn eigen verhaal en fluistert bijna. ‘En de volgende dag weer een leeg huis in de straat. Het verdriet.’
Dan opeens veren zijn bovenlijf en zijn stem op. ‘Genoeg. Genoeg redenen om te vluchten in verhalen, begrijp je wel? We galoppeerden met cowboys, vlogen naar de maan of reisden per tram terug in de tijd. Wat we toch allemaal bedacht hebben,’ roept hij uit. Hij pakt het schriftje dat hij net uit de stoel heeft gegrist en wappert ermee. ‘Kijk,’ zegt hij, ‘over reizen door de tijd gesproken, dit is één van die schriftjes.’
Ontroerd sla ik mijn handen ineen. ‘Hebt u ze nog? Mag ik uw verhalen lezen? Of zal ik ze voorlezen?’
‘Meisje, ik ken alle verhaaltjes uit mijn hoofd.’
‘Wilt u ze mij vertellen?’ nodig ik hem uit.
‘Zou je ze willen horen, verhaaltjes van twee kleine jongetjes, van zolang terug?’
‘Van twee bijzonder sterke jongetjes, voor wie deze verhalen van onschatbare waarde waren, veronderstel ik.’
‘Ja, de inhoud van dit schriftje zal me altijd bijblijven.’
‘Het zal u mogelijk tot steun zijn op andere momenten dat u bang bent?’ vraag ik, zijn laatste eindje indachtig.
‘Wanneer ik dat geluid van die vrachtwagens weer hoor, duik ik nu in de verhalen van het schriftje. Toch raak ik dat geluid nooit meer kwijt, ben ik bang,’ besluit hij zachtjes.
Ik strijk hem over de arm en pak zijn broze hand stevig vast, als de tranen hem over de wangen biggelen. De emotie golft door zijn tengere lijf. Tegen de tijd dat hij iets rustiger is, vraag ik of hij al een borrel wil. Hij knikt snotterend ja. Ik kom terug uit het keukentje met twee glazen rode wijn in de hand en zie dat het beter met hem gaat. Het huilen is gestopt en met licht opgekrulde mondhoeken tuurt hij naar zijn boekenkast. Wanneer ik het schriftje voorzichtig uit zijn handen pak en hem zijn wijn aanreik, lach ik hem met tranen in de ogen toe als hij tegen me zegt: ‘ik weet niet wie u bent, maar drinkt u gerust met mij een borrel.’