Categorieën
Fictie

Van de wal in de sloot

Van de wal in de sloot
“Gina van Slooten met twee ‘oo’s’ loopt niet in zeven sloten tegelijk.” Hoe vaak heeft ze haar vader dat niet horen zeggen! Bij die twee ‘oo’s’ wees hij steevast met twee vingers en een vette knipoog op haar twee ogen. Telkens als haar moeder haar als puber ervan wilde weerhouden iets buitenshuis te ondernemen, kwam hij ertussen en mocht ze de deur uit.
“Vier handen op één buik,” riep haar moeder dan, “daar kan ik niet tegenop. Je maakt een wilde meid van haar.”
Met een steelse blik van verstandhouding gaven ze haar stuurse moeder het nakijken. Ze had hem nooit het tegendeel bewezen. Haar moeders strenge opvoedstijl had haar voorzichtig en oppassend gemaakt. Ze wilde haar beide ouders tevreden houden en vooral niet teleurstellen.
In zeven sloten tegelijk was ze dan ook niet gelopen.
Wel is ze nu, jaren later, in deze ene sloot beland. Een onverwachte duikeling met de speciale fiets die ze aan het uitproberen was, en daar lag ze, voor ze goed en wel besefte, wat er gebeurd was.
Even was ze afgeleid. Even had ze van het hoge, smalle stuur en het geasfalteerde fietspad opzij gekeken. De Intercity van Zwolle Centrum naar Deventer kwam voorbijgeraasd langs de rechte, stille Burgemeester De Vos van Steenwijklaan. Ongemerkt had ze kennelijk een rukje aan het stuur gegeven. Dat stuur had onwennig aangevoeld. Het zwenkte gemakkelijk op de lange stuurstang met daaronder het kleine voorwiel, wat de zilverkleurige Giant Reviva op een vouwfiets deed lijken. Even afgeleid en in een oogwenk glipte het voorwiel van het fietspad af. Doordat deze hoger lag dan de grasberm, dook ze met de fiets voorover. Het stuur boorde in haar borst. Buitelend ging ze het talud af. Een scherpe pijn en het werd zwart voor haar ogen.
Versuft ligt de jonge vrouw op haar rug op de harde grond in de droge greppel. Haar lange blonde haar plakt op haar hoofd. Ze kreunt onder het gewicht van de fiets. De fiets mag er dan uitzien als een vouwfiets, maar zo licht is hij bij lange na niet, is haar eerste gedachte.
Een geluk bij een ongeluk dat de zomers van de afgelopen jaren warm en droog zijn, anders had ik nu een nat pak. Maar had er water in de sloot gestaan, had ik tenminste een zachte landing gemaakt. Alleen was ik dan misschien ook verdronken. Hadden mijn twee kleine meisjes geen moeder meer. Ik adem nog. Ik heb ze ook nog alle vijf op een rijtje.
De verdorrende graslucht kriebelt in haar neus. Ze moet niesen. Onwillekeurig beweegt ze haar hoofd. Vlijmscherpe messen snijden door haar heen. Opnieuw wordt het zwart voor haar ogen.
Als ze weer bijkomt, eist de harde ondergrond haar aandacht op. Die doet pijn aan haar rug.
Nog meer pijn aan mijn rug, beklaagt ze zichzelf. Stap ik op die leenfiets, omdat ik iets aan die pijn in mijn rug en bekken wil doen, overkomt me dit. Krijgt mijn moeder toch gelijk, dat ik altijd van die wilde plannen heb. Wilde plannen zullen je duur komen te staan. Waarschuwde zij daar niet altijd voor? Wat zal de prijs van dit avontuur met die speciale fiets worden?
Had ik er maar aan gedacht mijn beide voeten op de grond te zetten. Was het lage frame juist niet een van de voordelen van deze fiets? Dat ik gemakkelijk mijn voeten op de grond kan zetten? Dat ik nergens hoef af te stappen?
Wat ben je nu aan het doen? Jezelf op je kop aan het geven? Zou je dat niet aan je moeder overlaten? Je rijdt je eerste proefrondje op een vreemde fiets. Hier kun jij toch niets aan doen? Dit is een ongeluk. Je kunt toch niet verwachten dat alles meteen van een leien dakje gaat? Kom op, zeg, geef jezelf een beetje respijt!
Een droge snik welt op uit haar keel. Ingehouden tranen branden achter haar ogen.
Pijn, ik heb pijn. Kan ik overeind komen?
Eén kleine beweging en haar maag deint op de pijnscheuten door haar hoofd mee alsof ze midden op zee groen en geel over de reling hangt. Lamlendig blijft Gina onbeweeglijk liggen waar ze ligt. Uit de tuinen van de vrijstaande huizen achter de slootkant klinken kinderstemmen, te ver buiten haar bereik om naar hen te kunnen roepen.
Was ik maar vanaf de fietsenwinkel langs het winkelcentrum Zwolle-Zuid richting de Deventerweg gefietst, dan was dit niet gebeurd. Daar zijn geen sloten. Daar zijn altijd voorbijgangers. De huizen staan aan de straat. Altijd wel iemand die iets ziet.
Je wilde niet in de drukte fietsen, weet je nog? Er weer rustig inkomen.
Ja, ja, ik weet het, maar nu zit ik met de gebakken peren. Nou ja, zitten, liggen. Kan ik nog wel zitten?
Dat weet je pas, als je het probeert.
Een hernieuwde poging wagen? Het enige wat Gina zich kan voorstellen, is dat ze zich opkrult in foetushouding en zich zo klein mogelijk maakt, liefst onzichtbaar. Aanstalten maakt ze niet. Ze weet inmiddels beter. Bovendien zou ze zich onder de fiets hebben moeten zien uit te wurmen.
Zo ver de mogelijke uitbreiding van mijn actieradius en het vergroten van mijn mobiliteit, denkt ze bitter. Mijn proefritje is een regelrecht fiasco geworden en niemand om mij terzijde te staan.
Het beeld van Frank duikt op in haar gedachten. Hij had haar mooi laten zitten met de kinderen, hun mooie meisjes. Twee stuks tegelijk had ze hem gegeven, maar toen het even tegenzat door de bekkeninstabiliteit en de symfysiolyse en de impact daarvan, bleek de belofte op het stadhuis: “in voor- en tegenspoed,” een loze belofte.
Haar hart krimpt en krampt. Ze ziet hem weer thuiskomen op die winteravond een half jaar geleden. Ik ga bij je weg, had hij plompverloren gezegd. Ik heb iets gekregen met een vrouw op mijn werk. Natuurlijk niet zo’n mankepoot en mislukkeling als ik, had ze schamper gedacht. Nee, zo’n carrièretijgerin met een stralende lach, een strakke buik en altijd in voor seks. Dat heb ik allemaal ingeleverd bij de bevalling.
De pijnklachten kreeg ze niet weg geoefend. Haar zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof gingen over in langdurig ziekteverlof. Uitgeput hing ze rond in huis. Ze kwam niet meer op stoom. Ze wilde graag haar werk weer oppakken, haar intellect begon te verkruimelen. Haar kindjes waren engeltjes met hun poppengezichtjes, maar de Jip-en-Janneke-taal kwam haar neusgaten uit. Op school waren de kinderen tenminste aanspreekbaar. School was haar hele wereld geweest. School en Frank. School, Frank en hun beider families en een paar goede vrienden.
De bedrijfsarts aarzelde om haar terug te laten keren in haar functie als leerkracht. Misschien waren er psychische oorzaken dat ze maar niet opknapte? Hoe was haar relatie met haar partner? Oh, ex-partner? U heeft wel veel op uw bordje, mevrouwtje.
“Mevrouw, mevrouw, hee mevrouwtje, is alles goed met u?”
Een diepe mannenstem dringt tot Gina door. Vingers betasten haar hals. Moeizaam opent zij haar ogen tot spleetjes, het felle licht doet pijn. Een rijzige gestalte, grijzend aan de slapen, staat over haar heen gebogen. Bezorgdheid straalt uit een paar helderblauwe ogen. Het gewicht van de fiets drukt niet langer op haar lichaam.
“U heeft een flinke smakkerd gemaakt. Blijft u rustig liggen. Ik bel 112.”
Ze hoort hem haar situatie uit de doeken doen. Zodra hij de verbinding heeft verbroken, komt hij naast haar op de grond zitten. Hij pakt haar hand vast. Warmte vindt zijn weg van hem naar haar. Gina knippert met haar ogen.
“Heeft u een mobieltje bij u? Kan ik misschien iemand voor u bellen?”
Woorden willen zich niet vormen. Haar vingers wijzen op de zak van haar spijkerjasje.
“Mag ik zo vrij zijn?”
Ze knippert nogmaals.
“Kunt u het scherm ontgrendelen?”
Bibberig beweegt haar wijsvinger over het stippenpatroon. De man ontsluit haar adresboek.
“Maja,” stamelt Gina.
“Maja,” herhaalt haar redder-in-nood, “is zij uw zus?”
“Buur-vrouw,” hapert ze. “Zij… past… op… mijn… twee… meisjes.”
Ineens rollen de tranen over haar wangen.
“Ik begrijp het. Maakt u zich maar geen zorgen. Alles komt in orde.”
Dat betwijfelt Gina.
Heb ik maanden lopen gluren naar die fiets of ik het wel zou doen, heb ik het gewaagd – van mijn vakantiegeld kon ik die uitgave wel doen, een tweedehandsje, betaalbaar, weliswaar geen stoere moederfiets of bakfiets, maar wel een lage instap, een verend frame, een breed zadel met rugleuning, zeven versnellingen. Het zou me vooruit helpen in mijn herstelproces, ik zou weer kunnen fietsen. Zo’n wild plan is het toch niet te willen fietsen? – en dan dit, van de wal in de sloot. Hoe erg zal de schade zijn? Wat zal Frank zeggen? Zou hij tijdelijk de meisjes willen opvangen?
In de verte klinkt de loeiende sirene van de ambulance.
Even later vraagt de ambulanceverpleegkundige haar naam.
“Gina van Slooten met twee ‘oo’s’.”
Haar redder-in-nood fluistert bij haar oor:
“Aangenaam. Arie Verkerke.”