Categorieën
Fictie

Vakantie

Vakantie

Paul Werter was net op tijd. Een kwartier later en de winkel was gesloten. Hij stond tussen de tassen en koffers wat verdwaasd om zich heen te kijken, totdat hij de etalage zag. In de etalage stonden drie poppen die een man, een vrouw en een jongen moesten voorstellen. Ze hadden vrijetijdskleding aan. De man trok lachend een grote grijze koffer met zich mee en de vrouw hield, eveneens lachend, een parasol vast. Het kind hield een strandbal omhoog. Een kartonnen palmboom moest de vakantiesfeer compleet maken. Paul keek naar het jongetje en voelde een band om zijn borst samentrekken. Op dat moment hoorde hij iemand zeggen: ‘Kan ik u misschien helpen?’ Naast hem stond een vrouw met lichtbruin haar dat gekruld op haar schouders lag. Haar gezicht was zonder rimpels en ze keek hem uitnodigend aan. Ze droeg een fris, beetje zoet, parfum. Het luchtje gaf hem een opgetogen gevoel. Ooit had Paul bij een collega een parfum geroken dat hij heerlijk vond. Hij had haar gevraagd welk merk het was en had dit aan Thea, zijn vrouw, cadeau gegeven, zo maar op een dag na zijn werk. Ze was verbaasd. De volgende ochtend had Thea het luchtje op haar hals en polsen gespoten. Maar voor Paul was het niet dezelfde heerlijke geur als bij zijn collega. Lang niet zo fijn. Het stond hem zelfs tegen. En hoewel hij hier niets over had gezegd, had Thea het parfum nooit meer gebruikt.
‘Ik wil een koffer hebben.’
‘Hoe groot moet de koffer zijn?’
‘Groot. Eentje voor twee personen.’
‘Als u met me meeloopt dan zal ik u wat koffers laten zien.’ Paul liep achter haar aan en keek naar haar kuiten. Hij vond het mooi gevormde kuiten. Haar parfum trok hem mee. De matheid die hij op kantoor nog had, was verdwenen. De laatste dag op kantoor voor het begin van de zomervakantie, was hem zwaar gevallen. Zijn afdelingsmanager, een bullebak met glad achterovergekamd haar die de hele dag rondliep met de mouwen van zijn overhemd opgerold, had hem opgejaagd om een deadline te halen. In alle hectiek op het werk belde Thea hem ook nog dat de ritssluiting van de grote koffer kapot was. Haar stem klonk radeloos. Ze kon niet weg om een andere koffer te kopen. Na het ongeluk van hun zoon had ze last van paniekaanvallen. Dan werd ze overmeesterd door een beklemming die niet toeliet dat nog iets uit haar handen kwam. In die onwrikbare toestand gaf ze zich totaal overstuur over aan de eigenmachtigheid van het bestaan. Medicatie hielp soms, maar deze kon haar nooit de rust geven waar zij naar verlangde.
Hij zou op weg naar huis een nieuwe koffer kopen.
De verkoopster en Paul stonden in een hoek van de winkel waar verschillende koffers stonden. De koffer uit de etalage stond er ook bij.
‘Welke kleur had u in gedachten?’ vroeg ze.
‘Die grijze is prima.’ Hij wees een robuust uitziende koffer aan met wieltjes en een trekstang.
Terwijl de verkoopster de bon in orde maakte keek hij naar haar gezicht. De zwarte gekrulde haartjes van haar wimpers wipten op en neer. Hij schatte haar begin veertig, iets jonger dan hij. Toen hij met de koffer naar de uitgang van de winkel liep zag hij in de etalage de jongen weer. Over een maand zou het zeven jaar geleden zijn dat het ongeluk had plaatsgevonden. Het was tijdens de schoolreis gebeurd. Het verdriet had hun relatie veranderd. Thea zat vaak nachtenlang op de bank. Als hij in bed lag zag hij regelmatig door de kieren van het gordijn de duisternis overgaan in het sluipende ochtendlicht. Wanneer hij ’s ochtends beneden kwam lag zij met haar kleren aan op de bank te slapen. Ze sloten zich steeds meer op in hun verdriet en praatten niet met elkaar. Het ongeluk was taboe geworden.

Buiten joegen windvlagen door de straat. Donkergrijze wolken pakten samen. Paul trok de koffer achter zich aan en liep naar zijn auto die om de hoek geparkeerd stond. Hij legde de koffer in de achterbak en nam plaats achter het stuur. Zonder de auto te starten bleef hij zitten. Het was begonnen te regenen. Morgen zouden ze op vakantie naar Frankrijk gaan. Een collega had zijn vakantiehuis in de Loirestreek aangeboden. Het zou voor jullie goed zijn om even samen op vakantie te gaan, had hij gezegd. Na alle ellende weer eens samen ontspannen. Maar Paul zag er als een berg tegen op. Hij wist niet hoe hij twee weken met Thea moest volhouden. Op kantoor had hij afleiding, praatte hij met zijn collega’s over koetjes en kalfjes. Het opgejut worden door zijn afdelingsmanager kon hij hebben. Maar de laatste weken had hij het gevoel dat de vakantie een onmogelijke opgave zou worden. Toen hij naar huis reed had hij de beslissing genomen.
Na het avondeten vertelde hij het haar.
‘Waarom?’ vroeg ze. Ze bleef kalm, niet eens verbaasd.
Ook toen hij zijn best deed uit te leggen waarom hij niet zou gaan, bleef ze stil. Je kon de regen tegen de ramen horen tikken.
‘Het spijt me,’ zei hij nog.
Thea stond op en liep naar boven.
Paul zat aan tafel. Het was alsof hij zich lichter voelde. Zijn gezicht vertoonde een glimlach. Hij had zin in een glaasje cognac. Stond niet nog ergens een fles, die hij afgelopen Kerst van kantoor had gekregen? Hij stond op en liep naar de servieskast. Ja verdomd, dacht-ie, daar stond een volle fles Courvoisier. Paul schonk een glas in en ging weer aan de eettafel zitten. Voor hem stonden de niet afgeruimde borden en het bestek. Voorzichtig nipte hij aan het glas cognac. Het brandde in zijn slokdarm en maag. Na het derde glas moest hij denken aan de verkoopster in de winkel. Ze stapte naast hem in de auto, de benen schuin gevouwen, zodat hij haar kuiten kon zien. De licht zoete geur van haar parfum vulde de auto. Ze keek hem aan en lachte. Samen op vakantie.
Hij hoorde zijn vrouw boven lopen. Buiten regende het pijpenstelen. Het was geen weer om op vakantie te gaan.

Jeroen van der Doef