Categorieën
Fictie

Vaatwerk

1.

Als ik leeg ben, zet ze me aan de kant. Heel zacht, ik geef geen kik. Haar vinger streelt langs mijn oor en dan laat ze me los. Haar lippenstift blijft achter.
‘Gaan we straks naar die nieuwe biowinkel in het dorp?’ vraagt ze.
‘Doen we’, antwoordt hij en hij pakt me op. Ik ga onder, zink in warmte. Het water vult me samen met zijn vingers.
‘Hopelijk hebben ze witloof’, zegt hij. ‘Ik heb een receptje in mijn hoofd dat ik al even wil proberen.’ Hij wrijft in en over me.
‘Lekker’, zegt ze.
Hij trekt zich uit me terug en meteen sta ik terug waar ze me achterliet. Druipend en ondersteboven, met mijn binnenkant naar beneden gericht.
‘Zullen we met de auto gaan?’ vraagt ze.
‘Het is mooi weer,’ zegt hij. ‘Laat ons de fiets nemen.’
Ze neemt we weer vast. In haar handen droog ik op. Hij buigt en kust haar over mij heen. Ik zweef voor ze me terug op mijn plaats zet.
Dan wordt het donker en koel ik snel af.

2.

Het water kolkt, ik draai. Ik val tussen het schuim en raak de bodem voor hij me opvist.
‘Ik kan die afspraak niet meer verplaatsen, het is vanavond al’, zegt hij.
‘Maar we hebben een etentje bij mijn ouders.’ Haar stem snijdt door het water. Ik tril. ‘Dat heb ik je twee weken geleden al verteld.’
Hij knijpt zijn hand rond me en schuurt mijn binnenkant.
‘Dan ben ik het vergeten’, zegt hij.
‘Het staat in onze agenda.’ Ze trekt me uit zijn handen. ‘Niet dat je daar ooit in kijkt.’
Het katoen schuurt over me. Ze vergeet mijn binnenkant.
‘Sorry, ik zal erop letten,’ zegt hij en hij laat het water weglopen. ‘Maar voor vandaag is het te laat.’ Het zuigt en gorgelt. Ze zet me hard neer op het aanrecht en zucht. Ik mis een stuk. Een klein hoekje, uit de binnenkant van mijn voet. Het is al weggespoeld. Ze zien het niet.

3.

Mijn kringen staan rond mij op het tafelzeil, de stempels die ze met me maakte terwijl ze toast at en op haar telefoon keek. Binnenin me is het zwart en koud, koffie waarin kruimels drijven. Confituur kleeft aan mijn randen. Al uren sta ik hier. Hij zucht als hij me ziet. Hij giet me leeg en laat me in de gootsteen staan.

4.

‘Ben je zeker dat we er klaar voor zijn?’ vraagt hij. Zijn hand ligt op de hare naast me, met de rug raakt hij me aan.
‘Ik denk het wel’, antwoordt ze.
‘En onze reis naar Cambodja dan?’ Hij trekt zijn hand weg en neemt een koekje.
‘Cambodja gaat niet weg, dat is er later ook nog.’
Ze neemt de kan met koffie en schenkt me opnieuw vol.

5.

Opeens is het licht. Ik val naar voor en duw met mijn oor tegen het plastic flesje als de wielen onder ons over de rails schuiven.
‘Misschien ligt het wel aan de melk’, zegt hij. Hij neemt de drie onderbordjes naast me in één greep vast en trekt ze uit de lade. Ik schud en tril op het rooster.
‘Hij is toch getest, hij is niet allergisch.’ Ze neemt het bestekmandje. De vorken tikken tegen elkaar als ze die één voor één uit het mandje vist en in de besteklade legt.
‘Of hij heeft honger’, zegt hij en grijpt het handvat van de hapjespan vast. ‘Misschien moeten we toch al eens wat groentepap proberen. De rand van de pan botst tegen mijn zijkant, ik tuimel achterover, land op mijn voet naast het wijnglas. We botsen en klinken.
‘Hij is nog maar twee maand oud’, zegt ze. Het mes in haar handen valt rinkelend in de lade. Hij schept me op en vult me met porselein, stapelt ons met vier op elkaar.
In de verte klinkt gehuil.
Ik daver in zijn handen. De toren die in mij begint, wankelt.
‘Ik ga wel’, zegt ze. Hij zet ons neer waar we niet horen, tussen stapels schalen en kommen. Een rafelende broodmand duwt tegen me aan. Ik ben waar ik niet moet zijn. Dan is het terug donker.

6.

De wind mengt zich met de rook uit haar sigaret en botst tegen me aan. Het klinkt alsof ze zucht als ze opnieuw inhaleert. Ze laat de rook in horten en stoten naar boven ontsnappen. Ze trekt haar neus op. Haar hand schokt, mijn binnenste deint mee en klotst over mijn randen. Ze vloekt. Mijn voet snerpt over de dorpelsteen als ze me aan de kant schuift. Ze veegt haar vingers af aan haar broek. Over onze buitenkant rollen druppels naar beneden.

7.

Hij slaat met zijn vuist op tafel. Zij roept: ‘denk je dat ik het dan zo leuk vind?’ Ze doen me beiden trillen.
‘Ik zie je niet meer,’ zegt ze en ze zet het broodmandje en de confituur naast me neer. Ze stapt weg.
‘Ik ben er toch nog,’ zegt hij en hij plooit zijn krant dicht, staat op en gaat achter haar aan. De pot, het mandje en ik, wij blijven op de tafel staan. Pas als het avond wordt, nemen ze ons weer op.

8.

‘Doen we het dan op vrijdag?’ vraagt hij. De suiker is allang gesmolten, toch roert ze in mij en schraapt met het lepeltje langs mijn binnenste. Ik weerklink haar bewegingen.
‘Dat lijkt me geen goed idee,’ antwoordt ze. ‘Hij is dan al zo moe van een hele week school.’
‘Zondagavond dan?’ Zijn stoel kraakt als hij achterover leunt.
‘Op zondag doe ik het graag rustig aan, dan wil ik liever geen gedoe’, zegt ze en ze stopt met roeren. Ze legt het lepeltje naast me op het bordje en neemt me met twee handen vast. Haar lippen klemmen zich rond mijn gouden randje.
‘Wat stel jij dan voor als wisselmoment?’ Hij zucht. Ze duwt me achterover, het laatste dat nog in me zat verdwijnt in haar mond.
‘Maandag, na schooltijd’, zegt ze en zet me op het schoteltje. Ze schuift me voor zich uit naar het midden van de tafel, waar ook een bord met koekjes staat. Het bord ligt vol. In mij blijft geen druppel meer over.

9.

Al dagen sta ik hier, ondersteboven. Ik ruik naar lauwe melk die langzaam zuur wordt. De koffie is opgedroogd in de barstjes die als aders over mijn binnenkant lopen. Af en toe gaat de deur van de machine open en valt een streep licht op me. Zijn grote, pezige hand brengt enkel meer vuil en ranzigheid. Niets dat nog proper wordt.

10.

Ze draait me om, neemt me bij mijn oor en krabt over mijn voet.
‘Deze is zelfs beschadigd’, zegt ze.
‘O ja?’ Hij neemt me uit haar handen.
‘Die gaat al jaren mee.’ Hij laat zijn vingers langs me glijden.
‘En je bent zeker dat ze er niets meer van moest hebben?’
Hij knikt en geeft me aan haar terug. ‘Oude spullen passen niet bij een nieuwe start.’
Het krantenpapier ritselt als ze me erin rolt.
‘Dan mag deze ook naar de kringloop.’