Categorieën
Fictie

Uit de hoge hoed

Teleurgesteld keek de politicus uit het raam. De Haagse straten waren stil, uitgestorven welhaast, op deze winternamiddag. Vanavond zou er weer een persconferentie zijn, daar zag hij de laatste tijd nogal tegenop. Zijn partijcollega’s, de ministers en alle adviseurs uit het OMT gaven de laatste dagen pessimistische geluiden. Steeds meer mensen waren besmet geraakt met corona, steeds meer zieken her en der, steeds minder lege ziekenhuisbedden, gevaarlijke buitenlandse mutaties en varianten, het was om somber van te worden. Ook zijn buitenlandse evenknieën waren stuk voor stuk radeloos en keken met jaloezie naar hoe hij hier tot dusverre het moreel door zijn kenmerkende toespraken nog aardig had weten op te krikken. Maar wat voor goed nieuws, wat voor vrolijks kon hij de mensen nu nog geven, vanavond? Hij zuchtte. Het uitzicht vanuit het Torentje bood de aanblik van een rustige, serene Hofvijver, nogal in contrast met zijn gemoed deze avond.
‘Al die mensen verwachten zoveel van me’, prevelde hij binnensmonds. Hij voelde zijn maagzuur opspelen en greep instinctief naar de strip tabletten in de binnenzak. Vol ongenoegen ontdekte hij dat hij de laatste tablet al na de lunch met de ministerraad uit de strip had gedrukt. Hij tuurde weer naar buiten. In de verte, tussen het Mauritshuis en de Hofvijver, had een klein groepje mensen zich verzameld, waarbij enkelen grote boodschappentassen bij zich droegen. Ze begaven zich langzaam richting het Binnenhof.
‘Toch niet weer dat gedoe met die potten en pannen, hè?’, mompelde de politicus.
Hij pakte zijn mobieltje tevoorschijn, ontgrendelde het scherm en zocht in zijn Whatsapp-contacten naar het nummer van de burgemeester. Maar nog voordat hij een gesprek kon opstarten zag hij dat het groepje bij de Hofvijver al door politieagenten was benaderd.
‘Mooi, ook weer opgelost.’, verzuchtte hij. ‘Nu nog die toespraak’.
De speech was er al, die was na de lunch al klaar. Daar hadden de overige kabinetsleden al bijdragen aan geleverd. Zelfs de koning had in hun wekelijkse onderhoud nog een oneliner geopperd, die hij op diens verzoek deels had weten in te passen. Maar de teneur van de boodschap van vanavond was ronduit deprimerend en uitzichtloos. Zijn vorige toespraken waren ook niet bepaald optimistisch, maar telkens wist hij door een hoopvolle kwinkslag, een optimistische anekdote of een vrolijke metafoor de harten van de mensen te raken, tot bewondering van alles en iedereen in zijn eigen partij en in de coalitie, en tot jaloezie en afgrijzen van de voltallige oppositie. Maar vandaag had hij het gewoonweg niet, de hele middag kwam er niets uit zijn pen, hij was op, leeg, inspiratieloos en bovenal somber gestemd. En dus ontbrak het in de toespraak aan een optimistische afsluiter.
De wandklok sloeg aan, hij had nog een uur om iets sprankelends uit de hoge hoed te toveren. Tijdsdruk was nooit zijn beste vriend geweest, integendeel. Hij veegde een haarlok van zijn steeds dunner wordende haar uit zijn gezicht. Hij bemerkte zijn bezwete oksels. Hij stond op en liep naar de muur, waar een groot schilderij hing van een illustere politieke voorganger van zijn partij.
‘Wat zou jij doen?’, riep hij naar de geschilderde persoon op het doek, ‘Een leugentje om bestwil? De cijfers iets verzachten? Maar wat als ze daar later lucht van krijgen, met de verkiezingen over twee maanden?’
De man op het schilderij, licht krullend haar en lange bakkebaarden, had een stijf omhoog staande kraag en was gestoken in een deftig zwart pak, waarbij hij zijn hoge hoed nonchalant onder zijn arm hield.
‘Nou, wat zou jij doen?’, herhaalde de politicus. ‘Zeg nou eens iets, verdomme!’, riep hij naar het doek. Het doek zweeg.
Hij draaide zich weer naar het raam en zei tegen zichzelf: ‘Ze hebben iemand nodig om tegenop te zien, om te bewonderen. Oké, sommigen misschien ook iemand om te verketteren en te verguizen. Een nationale kop van Jut, die rol neem ik op me, als premier, de eindverantwoordelijke over de schatkist, de man die…’.
Opnieuw bekeek hij de man op het schilderij. En toen gebeurde het, in een split-second knipoogde de oude politicus met de hoge hoed naar hem, en ineens was het weer voorbij. Zag hij dat nou goed? Ja, het kon bijna niet anders. Het gaf hem een warm gevoel door zijn hele lichaam.
‘Wacht eens even…’, mompelde hij. Nu voelde hij de ingeving waarvan hij de hele middag al hoopte dat hij die zou krijgen. Hij kreeg zoals vanouds zijn geweldige vondst die hem al zijn hele politieke leven geen windeieren had gelegd. Hij pakte zijn laptop, zette hem aan, en nam plaats achter zijn bureau en begon te typen. Zijn vingers konden zijn gedachten nauwelijks bijhouden.