Categorieën
Fictie

Tweeënveertig

Door de zwart betegelde hal loop ik naar de liften terwijl de conciërge mij nakijkt. Alex woont in een penthouse op de tweeënveertigste verdieping van New Babylon; het blauw-witte gebouw naast het Centraal station. Het oogt futuristisch, met de op elkaar gestapelde lagen en driehoeken, maar ik vind het meer een naam voor een wolkenkrabber, een Babylonische toren, één die tot in de hemel reikt en dat is dit allerminst. Ik neem de lift, loop door de sobere gang – waar de enige kleur komt van een brandblusser – naar zijn voordeur en bel aan.

Het was vijf jaar geleden dat ik ze voor het laatst had gezien. Dat was in Frankrijk, in Lyon. Alex was er samen met Eline, Eva met Simon en ik. Na dat weekend heb ik geen van hen meer gezien. Als ik nu over het Buitenhof loop, of een café binnen stap, dan kijk ik altijd even rond of ik misschien Eva of de anderen nog ergens zie. Toevallig kwam ik Alex laatst tegen en ik sprak hem aan. Hij was gehaast en moest snel weer weg, maar hij nodigde me wel uit om later bij hem langs te komen.

Alex doet open.
‘Hé kerel! Hoe gaat het met je?’
‘Het gaat,’ zeg ik.
Hij kijkt me even meewarig aan en loopt dan naar de woonkamer. Ik volg hem. Wat me het eerst opvalt zijn de driehoekige ramen. In het midden van het appartement hangt een ruitvormig schilderij en aan de eettafel staan zwarte stoelen in de vorm van een ‘Z’. Ze benadrukken nog eens extra de schuine lijnen.

We gaan zitten voor één van de ramen. Er staat een tafel met flessen drank. Hij schenkt voor me in terwijl ik in een stoel plaatsneem en naar buiten kijk. Hij legt zijn telefoon op de tafel en loopt naar het raam.
‘Wat een fantastisch uitzicht hè! Dit is toch het betere Den Haag; het Haagse Bos, Benoordenhout, de duinen en de zee.’
Het irriteert me, dat “betere” van hem.

De telefoon van Alex trilt even en licht op, ik zie de naam van Eva staan en ik kan nog net het bericht lezen voordat Alex het pakt.
“Kom je vanavond naar mij toe?” staat er.
Hij stuurt gelijk iets terug.
‘Heb je nog contact met Eva?’ vraag ik.
Hij kijkt even op van zijn telefoon en kijkt me berekend aan.
‘Niet echt, maar ik kwam haar pas geleden tegen.’
Hij concentreert zich weer op zijn telefoon.
‘Ik had het nog met haar over jou,’ zegt hij terloops, ’Ze zei dat ze je miste en dat ze het jammer vond dat het zo gelopen is.’
Ik kijk van hem weg richting het bos.
‘Ja, dat vind ik ook,’ antwoord ik peinzend.
‘Weet je de laatste keer nog dat we bij elkaar waren?’
‘Jazeker, of ik dat nog weet,’ zucht ik.

Die laatste nacht van dat weekend in Lyon hoorde ik een zacht getik op mijn kamerdeur. Ik stond op, trok een shirt aan en opende de deur op een kier. In de opening stond Eva.
‘Wat doe jij hier, is er iets?’ vroeg ik verbaasd.
Ze gaf geen antwoord, maar trok me aan mijn shirt de gang op en legde haar wijsvinger op mijn mond.
‘Stil maar,’ fluisterde ze.
Voor ik om me heen kon kijken drukte ze me al tegen de muur.
‘En Simon dan?’
‘Simon ligt al te slapen, die merkt hier niks van.’
Ze streek met haar duim over mijn onderlip, wriemelde hem tussen mijn tanden en legde hem op mijn tong.
‘En nu niks meer zeggen,’ zei ze terwijl ze naar mij toe boog.

Elke dag denk ik aan haar. In de maanden erna probeerde ik haar te bellen en stuurde ik haar talloze berichten, tot op een dag Simon belde. Na vier keer overgaan nam ik de telefoon op, hij vroeg of ik wilde stoppen met het stalken van zijn vriendin. Daarna heb ik haar nooit meer gezien of gesproken.

‘Zie je die toren hiervoor?’ vroeg Alex.
‘Die grijsgroene daar: dat is de Malietoren. Wist je dat die eigenlijk veel hoger had moeten zijn? Een buurtvereniging is ervoor gaan liggen omdat ze bang waren dat hij te hoog werd en ze dan bij hen naar binnen konden kijken,’ smaalde hij.
‘En weet je hoe ze zichzelf noemen? Boze Emma!’ zei hij lachend. ‘Het scheelt denk ik dat die huizen in de Emmastraat meer dan een miljoen waard zijn. In een buurt met sociale huurwoningen was dit nooit gebeurd.’
Hij kijkt me weer even aan.
‘Woon jij trouwens nog steeds in Laak?’
‘Ja, nog steeds,’ antwoord ik met tegenzin.
‘lk heb nog steeds geen vast werk.’
‘Na al die tijd niet?’ hij schudt zijn hoofd.

De bel gaat. Hij staat snel op en loopt naar de gang. Ik hoor een vrouwenstem. Alex komt de kamer binnengelopen gevolgd door Eva. Ik sta op uit mijn stoel en probeer op haar af te stappen, maar het lukt niet, angst verstijft me. Ze komt naar me toe en geeft me twee kussen.
‘Bonjour Jeroen, ça va?’
‘Ça va bien, merci.’
‘Dat is lang geleden,’ zegt ze glimlachend. Ze kijkt me aan alsof ze me gisteren nog gezien heeft.
‘Ik wilde net gaan,’ probeer ik.
‘Ach toe, blijf nog even, ik ben er net.’
Plagend zet ze haar wijsvinger op mijn borst zodat ik wel weer moet gaan zitten.

Ze schenkt voor zichzelf in en loopt naar het midden van het raam. Ik volg het gesprek niet meer, ik kan alleen nog naar haar kijken. Ik zie dat Alex dat ook doet. Wat is de relatie tussen hen vraag ik me af.
‘Heb je nog iets met Simon?’
Ze draait zich verbaasd om.
‘Al een hele tijd niet meer.’
‘En jij met Eline?’
Alex schudt zijn hoofd. Het gesprek gaat verder alsof ik niks heb gevraagd. Ik kan haast niet geloven dat zij dan nu bij elkaar zijn.
‘Hebben jullie dan iets met elkaar?’
Het gesprek stokt weer. Ze kijken elkaar even aan, maar geen van beiden geeft antwoord.
‘Wil je hier misschien blijven slapen?’ vraagt ze opeens aan me.
Ik vertel haar dat ik nog steeds in Laak woon. Ze is even stil. Haar oren gloeien en ze glimlacht weer naar me.
‘We bedoelden eigenlijk…’ maar ze stopt en kijkt naar Alex. Ik zie hem zijn blik afwenden.
‘Ík bedoelde eigenlijk: blijf je bij ons slapen?’

Angst bekruipt me weer. Vroeger, bij mijn eerste zoen gaf ik over in de mond van het meisje, door de spanning. Tijdens mijn eerste keer lag ik rillend naast haar in bed, tot niets in staat. Angst werkt voor mij als een blokkade. Het beste is om mij niks te vragen, maar om het gewoon te doen, zoals zij had gedaan in Lyon.

Voordat ik erover nagedacht heb zeg ik instinctief al van niet en ik sta op uit mijn stoel. Eva loopt naar me toe en ik schuifel achteruit richting de hal. Ik kijk naar Alex, maar hij blijft zitten. Hij zegt niks en kijkt weer van me weg. Ik voel de druk op mijn borst toenemen. Ze begint de knoopjes van haar blouse open te maken. Jarenlang heb ik hiervan gedroomd, maar mijn hoofd belet me. Ik kan het niet. We blijven elkaar aankijken, haar blouse valt van haar schouders. Ze loopt op me af en draait nu één hand op haar rug. Het bandje schiet los. Mijn hand begint te trillen. Ik tast in de gang naar de deurklink voor houvast. Ze staat nu tegenover me, ze trekt haar schouders op en helt iets voorover zodat haar beha van haar armen glijdt.
Ze richt zich weer op en kijkt me vragend aan.
‘Weet je het zeker?’

Ik open de deur en loop achteruit de gang op. Ze staat halfnaakt in de deuropening. Ik hoor stemmen, een man en een vrouw lopen langs en ik knik naar ze in het voorbijgaan. Ik volg ze met mijn ogen, maar ondertussen zie ik dat ze er niet meer staat. De deur zit dicht.

Ik blijf even staan, bedenk me dan en bel weer aan. De deur gaat niet open. Ik bel nog een keer, geen reactie. Ik begin nu op te deur te kloppen, te bonken, maar niks.

Ik ben radeloos. Ik kan niet bevatten wat er gebeurd is. Jarenlang heb ik van dit moment gedroomd en ik heb het aan me voorbij laten gaan. Woede overmant me. Ik ruk de kleine brandblusser van de muur en sla daarmee één van de buitenramen in. Het glas versplintert en valt naar beneden. Ik klim in het raamkozijn en het overgebleven glas snijdt in mijn benen. Ik weet niet wat ik doe. Achter me hoor ik een deur opengaan. Ik probeer me om te draaien om te zien wie het is, maar ik verlies mijn evenwicht, glij weg en val.

Eva rent naar het raamkozijn, maar durft niet naar beneden te kijken. Ze hoort het zachte gegil van mensen, wat haar doet denken aan de kermis als die op het Malieveld staat.