Categorieën
Fictie

Twee vrouwen

Twee Vrouwen.

Mijn vader werkte een jaar als hovenier in een vrouwenklooster. Hij verzorgde er de rozenperken en vele seringenbomen rondom het plein voor het gebouw. Nu en dan ging hij naar binnen, “om een leiding te ontstoppen” of “een piepende deurklink te oliën”, zei hij. Maar daarnaast was hem met dwang gevraagd buiten te blijven, uit het zicht van de zusters.
Mijn moeder werkte niet, dat heeft ze nooit gedaan. Zij zat thuis. Soms sloot ze zich weken aan een stuk op in haar slaapkamer. Haar handen waren klein en eeltig. Ik stelde me voor hoe ze in haar kamer een beeld boetseerde, iets van hard graniet of ruwhout.
Zelden heb ik mijn ouders samen weten zijn.
’s Weekends ging ik mee naar het klooster, tachtig kilometer van ons dorp verwijderd. De hele dag dronken we zwarte koffie en zocht ik – in de door mijn vader omgeploegde aarde – naar pieren en kevers.
Twee vrouwen uit het klooster brachten me soms stukjes karamel. Aan de manier waarop ze naar mijn vaders behaarde armen keken, begreep ik dat ze de kloostermuren nog nooit hadden verlaten. Na verloop van tijd kwamen ze steeds vaker snoep brengen. Uit hun gesprekken met mijn vader kon ik opmaken dat ze elkaar ook buiten de weekends spraken, zonder mijn aanwezigheid.
Eenmaal, een zondag, nam mijn vader me niet mee naar het klooster. Hij vertelde niet waarom.

“Van wie hou je het meest, van mij of je vader?” vroeg mijn moeder die ene zondag. Ze stond aan het fornuis en warmde een suikerwafel op in de pan.
“Van jullie beiden evenveel”, zei ik.
Een vlieg bonkte vier keer met zijn hoofd tegen het keukenraam.
Toen legde moeder een zwartgebakken wafel op mijn bord. “Maar net wat meer van mij”, besloot ze en verdween voor de rest van de week in haar kamer.
Die avond kwam mijn vader later dan gewoonlijk thuis. We aten samen, ik vertelde hem over de verbrande wafel. Hij zweeg, en keek me aan alsof hij daar schuldig voor was. Verder zeiden we maar niets.

De daaropvolgende maanden brachten de twee zusters me geen snoep meer. Ook vader werkte met minder ijver. De zwarte koffie rook naar wodka, en zelfs de pieren verscholen zich diep in de natte grond. Binnenin het klooster waren geen verstopte leidingen en al de deurklinken deden het prima.
Op een keer stond mijn vader een jonge seringenboom te stutten, toen een onbekende auto voor het klooster stopte. Een man in witte jas stapte uit en wandelde naar de hoofdzuster die hem haastig binnen wenkte. Een tak van de seringenboom brak af, mijn vader verloor zijn evenwicht en viel op de grond. Hij bleef liggen. Uit de verte kwam een schreeuw tot bij ons, kort daarna een tweede, maar ditmaal luider en verschrikkelijker. Toen werd het stil, en op mijn lippen proefde ik verbrand suiker.
Die zomer verhuisden we ver weg van het klooster. Mijn moeders sculptuur heb ik nooit gezien, volgens mij schonk ze het aan de zusters.