Categorieën
Fictie

Twee alfa’s

Twee alfa’s

‘Problemen zoeken, ofwa?’ De kleinste en tengerste van de drie jongens toonde zich, enigszins tot Dirks verrassing, ook de brutaalste. De twee anderen schuifelden achter hem aan. De kleine bleek niet alleen de mondigste, maar ook de leider. Het alfamannetje, zag Dirk. In gedachten benadrukte hij het diminutief – hooguit veertien had hij de jongen in eerste instantie geschat. Dat viel in zijn ervaring met de wetten van de puberdynamiek echter niet te rijmen met het uiterlijk van de achterban van het kereltje: breedgeschouderd en lang, met meer dan het begin van een snor op hun bovenlip. Zeker zestien à zeventien jaar. De kleine moest minstens even oud zijn als de andere twee, wist Dirk, zijn gedrag en persona slechts een manier om een achterstallige groeispurt te overbruggen.

Het was woensdag, kort na de middag, dus had Dirk sowieso vrij. Maar die dag had hij al in de voormiddag de school verlaten, net voor het vierde lesuur. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden had hij zijn collega om een eenmalige roosterwissel gevraagd: Nederlands op woensdag tegen geschiedenis op vrijdag. Hij keek ertegenop het laatste uur van de week een zesde jaar in toom te moeten houden, met de deur naar het weekend al op een kier. Het was bovendien niet de makkelijkste klas. Ze zouden het bont maken, dat wist hij wel zeker. Steeds vaker betrapte Dirk zich erop naar zijn pensioen af te tellen, hoewel hij zichzelf nog steeds omschreef als leraar in hart en nieren. Maar het onderwijs was, sinds hij ruim dertig jaar geleden startte, nu eenmaal erg veranderd. De administratieve rompslomp was blijven groeien en nam intussen overdreven proporties aan. Daarnaast was de brutaliteit van leerlingen én ouders alleen maar toegenomen, terwijl Dirks eigen motivatie samen met zijn gezag jaar na jaar afnam. De drie tienerjongens die nu voor hem stonden, leken zo uit een van zijn huidige klassen geplukt: een miniatuurversie van zijn werk, buiten de schoolmuren en -uren. Leerlingen in het wild.

Ostentatief schopte de alfa tegen het colablikje. Dirk had aan de overkant van de straat gelopen, vanwaar hij het hem had zien leegdrinken en op de grond werpen. Dirks innerlijke surveillant was, buiten zijn wil om, aangewakkerd geweest. De straat was weggesmolten en zijn speelplaats geworden. Het was sterker dan hijzelf: hij was overgestoken en had de jongen vriendelijk maar kordaat gevraagd zijn afval op te rapen. Of de tiener de vuilnisemmer, slechts enkele passen verderop, per ongeluk of doelbewust gemist had, kon Dirk niet met zekerheid zeggen. Hoe dan ook had hij de jongen nu op stang gejaagd door hetzij zijn werptechniek, hetzij zijn rebellie te beledigen. Dirk wou van harte in de eerste verklaring geloven, maar het lukte hem niet. Zijn beroepsoog had de alfa’s soort tenslotte onmiddellijk herkend: de klassieke hangjongere, subtype hiphop. Karakter: verveeld doch snel ontvlambaar. Uiterlijk: broek laag aan de kont, pet hoog op de kruin. Taal: korte, geïrriteerde uitingen, zo vaak als mogelijk af te sluiten met een ‘ofwa’. Dirk kende deze jongen, dit type – hij had hem al duizendmaal ontmoet.

‘Ik zoek helemaal geen problemen,’ zei Dirk mild, ‘Ik zou alleen, als ik jou was, dat blikje even oprapen en in de vuilnisbak werpen.’ En daarna – hij schiep er heimelijk plezier in – ‘Zijn jullie dan niet de klimaatgeneratie? De milieujongeren?’ Alfa spuwde op de grond. ‘Fuck het milieu,’ zei hij, en daarna, het kwam sneller aan bod dan Dirk had geanticipeerd, het befaamde alle-vrouwen-zijn-hoerenthema: ‘en Greta Thunberg is een kech’. Even bleef het stil. Pas wanneer de kleine ongeduldig over zijn schouder keek, snapten de andere twee hun cue om voor lachband te spelen. Dirk dacht na. Wat kon hij nog meer zeggen? Hij was niet op school. Deze jongens waren niet zijn leerlingen, niet zijn probleem. Hij hoefde deze strijd niet aan te gaan. Dus bukte hij zich, raapte het blikje zelf van de grond en wierp het met een sierlijke boog in de vuilnisemmer. ‘Ziezo,’ zei hij. Maar dan, hij kon het toch niet laten, hij waande zich weer voor een klas die hij naast zijn materie ook manieren moest inpeperen: ‘Blijven oefenen en dan zal mikken vast beter lukken.’ De achterban grinnikte – net zoals de meerderheid van de klas zou doen – maar hield abrupt op wanneer alfa zich met ziedende blik omdraaide. Alleen met hém werd er gelachen, zoveel was duidelijk. ‘Prettige dag nog samen,’ besloot Dirk. Iets gloeide in hem, een glimlach vormde zich om zijn lippen. Hij voelde zich opnieuw als toen hij nog van nature gezag uitstraalde en in de les altijd het laatste, gevatte, woord had. Hij stak de straat weer over. De jongens zwegen. ‘Okay, boomer,’ hoorde Dirk uiteindelijk één helft van de achterban zacht zeggen – de brave, stille jongen op de achterste rij in een plotse vlaag van brutaliteit. Verraad aan het adres van de leraar. Alfa herhaalde het nu luid. De andere twee lachten, inclusief degene die de originele opmerking had gemaakt, alsof ze haar pas uit de mond van hun laaggebroekte leider voor het eerst hoorden. Dirk moest zich inhouden, zichzelf dwingen verder te lopen. Het zichzelf inprenten: dat hij zich niet hoefde om te draaien om alsnog te winnen, dat hij niets had verloren. Er was geen strijd. Hij hoefde de alfa niet te straffen, of de stille jongen te zeggen hoe teleurgesteld hij in hem was. Hij herhaalde het in zijn hoofd als een mantra: hij was geen leraar Nederlands die middag. Geen titularis, geen surveillant. Die middag was hij grootvader, kersvers, op weg naar zijn dochter en haar zoontje. Zijn lieve, pasgeboren kleinzoon, met wie hij nooit strijd zou leveren, en van wie hij zeker weten nooit een ‘kech’ of ‘boomer’ zou hoeven te tolereren.