Categorieën
Fictie

Tsunami

Als drenkelingen die een golf opdeinen, verschijnen de drie aan de heuveltop.
Met plakkende pony’s en monden happend naar lucht klauteren ze op de banken. Over de kruinen van de kurkbomen zien ze hoe hoog ze zijn gekomen in een half uur.
Alsof ze voor iets zijn gevlucht.
De heuvels, rookblauw van hitte en besprenkeld met zwembaden. De horizon, een schitterende Middellandse zee.
‘Kijk’, hijgt Alexander, ‘ik had het toch gezegd’. Hij wijst en er flitst zonlicht van zijn TAG Heuer. ‘Je kunt de eilanden zien vanaf hier.’
Zijn nicht Esther steekt over naar zijn bank en volgt zijn vinger.
Haar zusje Katja kan maar een randje uitzicht zien en blijft staan, armen over elkaar. Het water in de verte heeft de dorst doen aanzwellen en nu brandt het in haar keel, als spijt. Had ze het commentaar van haar zus durven te negeren, dan slurpte ze nu uit haar drinkpet.
‘Nee joh, dat is Toulon. Met dat paupervliegveld, weet je wel.’
Ze zucht zo hard als ze kan en kijkt dan naar de zeilen op zee, lijkwit en wuivend.

Opa is onlangs in zijn slaap overleden en nu moeten zij en Esther tijd met hun neef doden. Toen ze aankwamen bij de villa van – nu alleen nog – oma viel mama haar huilend om de hals. Oma klopte tweemaal op haar schokkende schouderblad.
‘Meisje toch.’
Daarna werden de tranen weggespoeld met rosé, papieren uit lades opgedoken, Franse notarissen gefaxt.
Niemand heeft Katja gevraagd of ze verdriet heeft. Dat geeft niet, want dat heeft ze niet, en ze weet ook niet hoe ze eraan kan komen.
Bij de villa zijn zomers doorgaans blij. Ze eten ijsjes, doen een dagje Nice. Papa maakt artisjokkendip en Esther gaat mee krabben zoeken. Samen trotseren ze dan de rotsen, scherp als ruw beton. Soms raken ze gewond, omgeduwd door een plotse golf. Maar daarna prikken de schaafwondjes zo prettig in het bruisende water – ‘net San Pellegrino, hè Kat?’ – dat het leven licht en oneindig voelt.
Maar dit jaar is de zomer somber. Dit jaar wordt er vroeg opgestaan en ontbeten onder een donkerblauwe parasol, en blijft de zee, onaangeroerd, in de verte liggen.

Een jetski scheurt door Katja’s gemijmer. Ze hoort de krekels weer in de struiken hun morse tjirpen. Esther en Alexander praten inmiddels met handgebaren over aardplaten. Op hun voorhoofden parelt zweet.
Katja stampt met haar voeten en wrijft haar zonneklep over haar haargrens. Terwijl ze zo haar flaporen doet wiebelen, gluurt ze naar de anderen.
Geen reactie.
Dan geeft ze haar bankleuning een trap. Lag de vloedlijn maar hier, in de boomtoppen. Dan kon ze zich achterover in de koelte laten vallen, terug naar huis zinken.
‘Kom, we gaan.’ Is haar ongeduld overgekomen? ‘We hebben al te lang geen water of zout gehad.’ Alexander hupst van zijn bank met een plof in een berg stof. Zijn loafers worden bedolven en een bruine wolk stijgt op. Esther lacht.
‘Domkop.’
Alexander komt kuchend weer tevoorschijn. Op zijn horloge na lijkt hij een bedelaar.
‘Ja verdorie, dit shirt komt nog wel uit Atjeh.’ Katja probeert haar gezicht in de plooi te houden. ‘Kom op’ gromt hij en beent weg, Esther in zijn kielzog.
Katja zegt de zee gedag en volgt de anderen terug het pad af.

Elke dag kijkt ze meer op tegen de crematie. Ze kende opa nauwelijks. Wat als ze niet op tijd verdrietig leert zijn? Tijdens de dienst iets geks doet? Dat haar oom speecht, ze giechelen moet en iedereen boos wordt. Oma zal sissen. ‘Hoe haal je het in je hoofd.’
Dat zei de juf tegen Florentina nadat zij had gegiecheld tijdens de stilte voor oorlogsmensen. Toen moest Florentina huilen. Misschien uit schaamte. Stiekem schaamde Katja zich ook. Ze wist niet voor wie ze verdrietig had moeten zijn.
Wat zouden de volwassenen daar beneden verbergen, gegiechel of gehuil? Nu de crematie is geregeld, doen ze niks dan fluisteren in ligstoelen aan het zwembad. ‘Opa’ is alleen nog een woord dat wegvalt wanneer ze naderbij komt.
‘Wat is er lieverd?’
Pas wanneer ze naar bed is gegaan, halen ze een fles uit de kelder, worden hun woorden losser en luider. Gisteravond hoorde ze opeens schaterlachen. Was dat oma? Daarna werd het doodstil, gingen één voor één alle lichten uit.
Toen, in al dat donker, fluisterde Esther dat ze opa na de crematie ‘aan de zee zullen meegeven.’
Katje stelde zich toen voor hoe hij door papa en haar oom vanaf het einde van de pier de zee in zou worden gewallevist. Mama en oma die zwaaien, opa die afdrijft. Katja’s oogleden zakten dicht.
Hij zal zinken, dacht ze. Met eb en vloed meereizen, een vissenstaart groeien, vrienden worden met de krabben van het diepe. Ze zeeg in slaap.
Op zijn sterfdag spoelt haar opa aan. Hij zal naast andere doden gaan liggen. Hoopjes opdrogende herinnering. En zolang er niemand op de pier verschijnt, blijven ze. Zolang er niemand op de pier staat te huilen om hen, blijven ze liggen, in herinnering.

‘Stel, je zou nu doodgaan’ begint Alexander na de zevende bocht, ‘zou je dan gelukkig sterven?’
Katja hoort Esther zuchten.
‘Weet je wanneer ik gelukkig mijn graf in zou gaan,’ gaat hij door, ‘wanneer ik door een ramp zou sterven.’ Hij fronst naar de zon en legt zijn hand op zijn stoffige borst, zijn horloge flitst als een medaille. ‘Dat er nu een vloedgolf zou aankomen. Zulk natuurgeweld. Prachtig.’ Zijn r’en komen van mijlenver aanrollen.
‘Weet je zeker dat je zo’n dood wil?’ vraagt Esther. ‘Ik kan me niks naarders bedenken dan verdrinken’ en ze trekt haar schouders naar haar oren, alsof ze zich kopje onder en nooit meer boven aan het voorstellen is.
‘Ik zeg toch niet dat ik het wil,’ zegt Alexander, en hij begint zich af te kloppen, ‘ik zeg alleen dat ik het wil als ik nu dood zou moeten.’
De laatste keer dat Katja en Esther opa zagen deed hij een kruiswoordraadsel. Als een kurkentak zat hij over de salontafel gebogen. Schorretjes had hij gevraagd om een ander woord voor privilege. Buiten vulde de tuinman het zwembad.
Esther heeft nagedacht.
‘Maar dat heb je niet te bepalen,’ besluit ze, ‘dus wat heb je aan zo’n wens?’ Katja versnelt haar pas en komt, vol hoop, naast haar lopen. Alexander zucht, schudt zijn hoofd en stopt met afkloppen.
Hoe verder ze afdalen, hoe luider de krekels. Het doet denken aan applaus, aan alle golven beneden in de branding.
‘Mijn juf zegt,’ begint Katja ‘dat een olifant voelt wanneer een vloedgolf komt, en dat ‘ie dan mensen gaat redden.’
Esther kijkt haar aan. Ze glimlacht zo breed terug dat haar hoektanden haar lippen ontglippen. Hopelijk vindt Ester haar vandaag niet hinderlijk.
‘O ja’ zegt Esther, ‘kunnen olifanten praten dan?’ Alexander grinnikt. Katja wil hem de greppel in duwen.
‘Katja’s juf has het over de olifanten in Azië,’ zegt Alexander ‘die begonnen te toeteren en vluchtten de bergen in uren voordat de tsunami aankwam’, Katja struikelt bijna van verbazing, ‘maar dat is waarschijnlijk een broodje aap.’
Hoop zinkt als een steen naar haar maag.

Na een verder stille tocht over blakend asfalt zijn ze terug. Ze vinden hun ouders in de koelkastkoelte van de keuken. Ze drinken wijn en doen ernstig over nieuws op televisie.
‘Ongelooflijk,’
Alexander, Esther en Katja vullen glazen aan de kraan,
‘verschrikkelijk,’
nemen slokken tot ze klotsen,
‘die arme mensen.’
en gaan dan elk hun eigen weg,
‘je wou dat je wat doen kon.’
Katja duikt het zwembad in en redt haar krabskeletten van de bodem tot ze wordt geroepen voor diner.

Een koude hand op haar wang wekt haar. Ze ruikt haar vaders zware aftershave en weet meteen welke dag het is.
Haar jungleshirt mag Katja niet aan. ‘Ongepast’, vindt Esther. Na lang zeuren mag ze haar drinkpet op, met slurf maar zonder beker.
Aan het ontbijt hebben de volwassen het weer over het nieuws. Dit keer let Katja op.
‘Dat ze het niet zagen aankomen.’
‘Pap, wat is er dan?’
‘Ja, onvoorstelbaar.’
‘Mama wat is er dan gebeurd?’
‘Je zou willen dat die landen zichzelf konden redden.’
‘Wie moeten zich redden?’
Niemand reageert. Katja kauwt op haar madeleine en ziet hoe de volwassenen haar negeren terwijl ze hun ogen tot kuiltjes verwringen. Misschien dat ze met praten over verdrietige zaken hun echte tranen terug proberen te spoelen.

Een half uur later dalen ze in twee BMW’s de heuvel af.
Op zeeniveau ziet Katja hoe badgasten, net als iedere dag, met rieten matjes en opblaasbeesten richting vloedlijn trekken. Jetskiverhuurders gooien de deuren van strandschuren open. Een eerste ijskar parkeert in de ochtendbranding.
Alleen zij weet dat de mensen iets over het hoofd zien. Er komt iets aan. Iets heel ergs.
Katja krult haar lippen om haar drinkslurf. Net zoals ze op de snelweg met haar teen moet wippen bij elk blauw verkeersbord, kan ze nu niet anders dan iedere badgast vanachter haar geblindeerde ruit een teken geven.
Dan begint een alarmerend getoeter.