Categorieën
Fictie

Troost

De eerste keer dat ik hem ontmoette, was op een warme zomerdag. Ik was niet op zoek naar een relatie, maar af en toe had ik behoefte aan reuring in mijn leven. Mijn geordende, harmonische kant vocht dan om voorrang met mijn chaotische, dionysische zijde. Volgens Nietzsches maatstaven zou ik een perfect kunstwerk belichamen: een weerspiegeling van de dubbelheid van het leven.
Maar goed, tijdens een lezing van een bekende schrijver zag ik hem dus voor het eerst. Hij luisterde met alle aandacht die hij bezat. Ik kon dat niet. In een publieke ruimte verloor ik mijn omgeving geen seconde uit het oog. Vanuit mijn ooghoeken registreerde ik alles wat er om me heen gebeurde. Ik vond het irritant dat deze middelmatige schrijver al zijn aandacht opeiste. Het duurde lang voor de schrijver was uitgesproken. Terwijl de schrijver nog wat handen schudde, bleef hij zitten en keek op zijn telefoon. Ik keek naar hem, in de hoop zijn blik te kunnen vangen. Maar na de schrijver eiste het apparaat nu al zijn aandacht op. Sigaretten! Er tekende zich duidelijk een pakje sigaretten in het borstzakje van zijn blouse af. Ik haastte me naar de ingang van het statige pand en stond een tijdje tegen de reling van het smalle bordes geleund. Juist toen ik ging twijfelen, kwam hij eindelijk naar buiten. Hij keek naar beneden, zodat ik hem moest aanspreken.
‘Zou ik misschien een sigaret van u mogen vragen’, zei ik.
‘Gestopt?’, vroeg hij met heldere stem.
Geamuseerd keek ik hem aan en lachte. Zijn stem paste niet bij zijn gedrongen voorkomen. Hij had een pakje Pall Mall in zijn handen en bood me er eentje aan. Hij articuleerde op een manier die ik niet kon thuisbrengen. Later zou hij vertellen dat hij zijn jeugd in Portugal had doorgebracht. Precies zoals goede muziek een tekst kan optillen, zo zorgde zijn heldere stem ervoor dat zijn voorkomen in een ander licht kwam te staan. De openstaande blouse had ordinair kunnen zijn, maar leek nu van een jongensachtige nonchalance. Alsof hij oprecht in de haast vergeten was de laatste knoopjes dicht te doen. Zijn stem leek recht te doen aan zijn inhoud.
‘Wel aardig, niet?’, zei hij.
Ik twijfelde even of hij nu naar de sigaret informeerde of naar de lezing en koos voor het laatste.
‘Hij weet wat uitgevers willen’, zei ik, ‘hij vraagt zich af waarom zijn boek níet zal verkopen’. Hij lachte kort en sloeg zijn ogen even op. Hij leek haast verlegen zo. ‘En jij’, vroeg hij, ‘weet jíj wat je níet wilt?’ Ik schrok van mijn misrekening. Ik had zijn houding voor verlegenheid aangezien, maar daarvan bleek geen sprake. Die dubbelheid intrigeerde me.
‘Je bent direct’, constateerde ik.
‘O pardon’, zei hij, ‘misschien ben ik door mijn misantropische levensstijl de kunst van het conserveren een beetje verleerd’. Hij keek me nu recht aan en nam me op.
‘Zelfverkozen?’, vroeg ik.
‘Ach’, zei hij, ‘ik heb genoeg aan mijn kunst’. Hij blies de laatste rook uit en drukte zijn sigaret uit. Ik voelde de behoefte dit gesprek te verlengen. ‘Drinkt u binnen nog een glaasje?’, vroeg ik. ‘Met jou?’, vroeg hij. ‘Graag’.
Toen we naar binnen liepen hoorde ik hem achter me hoesten. Het was zo’n hoest die je met je neus op de realiteit drukte. Bleek iemand toch gewoon te hoesten, te poepen en misschien wel hevig te kwijlen in zijn slaap. ‘Dus je hebt genoeg aan jouw kunst’, zei ik in een poging het hoesten achter me te laten. ‘Kunst biedt troost’, zei hij. We liepen langs een gastvrouw en namen beiden een glas champagne van het dienblad.
‘Laat de schoonheid van kunst je de ellendige wereld vergeten?, vroeg ik.
‘Integendeel’, zei hij, ‘schoonheid transformeert voor mij de tragiek van deze wereld’.
‘Waarin?’
‘In iets draaglijks’, zei hij
Het leek erop dat hij deze laatste opmerking meer tegen zichzelf dan tegen mij maakte. Zijn gebrek aan interesse irriteerde opnieuw. Hij leek me niet nodig te hebben. Hij was even lief naar de lezing meteen naar huis gegaan om zijn ogen en oren te laten strelen door zijn kunst. Hij voerde dit gesprek omdat ik nu eenmaal zijn pad had gekruist.
‘Een tragisch zelfportret van Rembrandt kan me gek genoeg opbeuren’, zei ik in een poging zijn aandacht te vangen.
‘Paradox of tragedy’, zei hij, ‘ellende kan een intense voldoening geven’. Hij keek me aan en ik bespeurde een geschrokken blik in zijn ogen. Zijn bewegingen kregen plots iets gehaasts en hij sloeg zijn champagne achterover. ‘Kom’, zei hij. Hij leidde me richting de uitgang en groette me onderaan het bordes. ‘Aangenaam even gepraat te hebben’, zei hij, waarna hij met korte pasjes langs de gracht uit het zicht verdween. Hij had niemand nodig, hij had zijn kunst.
Over hoe het nu precies zit met de troost die kunst kan bieden heb ik nog nagedacht. Kunst roept vaak iets essentieels bij me op, iets dat ik niet kan verwoorden. Het idee dat tragiek van alle tijden is, vind ik geruststellend. Ik kan de ellende van een afstandje bekijken en er intens van genieten.
‘Hallo?’
Ik holde achter hem aan, toen ik hem op een miezerige ochtend bij het station zag lopen. Hij bleef staan en keek achterom. Ik was even bang dat hij mij niet zou herkennen. Hij droeg een versleten linnen tasje over zijn linkerschouder. Ik vond hem thuishoren in een roman van Dickens, zoals hij daar stond met zijn zwarte lange jas.
‘Hai’, zei ik enigszins buiten adem.
‘Sigaretje?’, vroeg hij. Ik knikte naar de overkapping, zodat we droog zouden staan. We inhaleerden gelijktijdig. Ik bekeek hem stiekem. Hij zag er jonger uit. Ik voorzag een lange stilte, maar misrekende me opnieuw.
‘Jouw schoonheid is ook troostend’, zei hij. Ik draaide mijn hoofd opzij en keek hem verbaasd aan.
‘Jouw schoonheid roept bij mij het tragische besef op’, ging hij verder, ‘dat deze niet eeuwig blijft’. Ik keek hem aan terwijl ik inhaleerde. Hij keek me even recht in de ogen, maar sloeg ze daarna neer.
´Je hebt vast weleens gehoord van readymades´, zei ik zacht.
´Ja, Duchamps’ Fountain vond ik erg grappig´.
´Precies, de toiletpot als museumstuk’.
‘Wat wil je daarmee zeggen?’
‘Ze zouden jou in een museum moeten zetten als readymade’, zei ik vinniger dan ik bedoelde. Hij keek me plots verbaasd aan.
‘Herhaling van de werkelijkheid’, zei ik, ‘daarmee hef je de kunst op’.
Hij keek me een secondelang recht aan. ‘Je bent boos’, zei hij duidelijk geamuseerd. Ik bleef voor me uit staren. Hij dacht een moment na en pakte me daarna resoluut bij de arm.
‘Kom´, zei hij, ´laat mijn kunst je troosten’.
Het miezerde.