Categorieën
Fictie

Traumdeutung

Traumdeutung

Yves was van de buurt gaan houden, hoewel daar eigenlijk weinig aanleiding toe was. De huizen waren nog niet zo lang geleden gebouwd en stonden geüniformeerd en eenvormig tegenover elkaar. De naakte boompjes, meer stam nog dan blad, kwetsbaar in het gelid langs de toegangswegen naar de woonerven, waar kinderguerrillas zich rond gemeentelijke speeltoestellen groepeerden.
Yves had zich in het begin nog wel even verzet tegen Maaikes verhuisplannen. In de stad kon hij langs de cafés slenteren. Naar buiten staren boven een vergeten kopje koffie, af en toe een blik op de studentes twee tafeltje verder. Fantaseren over een gesprekje aanknopen. Of ze de krant al uit hadden, wat ze studeerden.
‘Het is gewoon veel leuker voor Noah en Jet, al hun schoolvriendjes in de buurt en veilig op straat spelen,’ had Maaike gezegd. ‘Een tuintje waar ze kunnen rennen. Een trampoline misschien.’
En ook tussen de nieuwbouw was er genoeg te zien. De strakke sportkleren op het schoolplein en de billen die daar net iets te nadrukkelijker in aftekenden. Dronken huizen, wankel en dof dreunend op zaterdagavond, verzadigd van de dampende moeders rond de thuistap op het keukeneiland. De blikken op het schoolplein en in de supermarkt.
Hij liep iedere dag hetzelfde rondje. Langs de brede sloot met in het midden het eilandje, in de zomer aanmeerplaats voor rubberbootjes. Over het basketbalpleintje, de chipszakken en peuken rond de vuilnisbak, stille getuigen van verveling. Ten slotte langs de appartementen aan het begin van zijn eigen straat.
Toen iedereen door corona plotseling thuis was komen te zitten, had Yves zijn wandelingen met vers enthousiasme voortgezet. Maaike verzorgde het thuisonderwijs. Geen dag sloeg ze haar make-up over en als Noah en Jet even voor zichzelf bezig waren, gaf ze haar werk als communicatieadviseur een slinger. Als hij koffie ging zetten, moest hij ter hoogte van de keukentafel even bukken om te voorkomen dat hij via haar laptopcamera het internet opgeskypt werd.
‘Ga jij nou maar lekker je rondje lopen. Het geeft de kinderen ook meer rust als jij ze niet voortdurend op de vingers zit te kijken,’ had ze gezegd. ‘Het is goed, wij redden ons wel.’
De buurt was veranderd door het virus. Auto’s kwamen niet meer van hun plaats, huizen waren tijdens kantoortijden niet langer donker en leeg. De kantooradjudanten gaven hun bevelen nu vanaf balkons of rommelden wat in hun tuintje, terwijl ze via oordopjes luisterden naar hun troepen aan het front. Het kinderleger trok niet meer op vaste tijdstippen, maar de hele dag over de plantsoenen.
Steeds vaker, steeds onbeschaamder probeerde hij bij zijn buurtgenoten naar binnen te kijken. Vaders die naar het scherm van hun laptops staarden, de poes op schoot. Kinderen die rond renden in de huiskamer. Hier en daar toch nog een donker huis, misschien ooit verhuurd aan buitenlanders, nu in de eerste paniekgolf weer verlaten.

De jonge vrouw in het appartement op de begane grond in zijn straat had twee vaste werkplekken. Eén voor de ochtend, als het nog fris was. Dan zat ze binnen, aan het barretje van haar keuken, haar blote voeten gekruld rond de chromen steunbalk van haar kruk. Eén voor de vroege middag, op het direct aan het wandelpaadje gelegen terras. Als de zon te warm werd, trok zij zich weer terug op haar barkruk. Haar werk bestond voor een groot deel uit telefoneren. Dan liep ze rondjes over haar terras en als ze binnen was, maakte ze kniebuigingen, waarbij ze met haar billen bijna de grond raakte. Als de deur openstond hoorde hij haar klinkende stem instructies geven aan onzichtbare medewerkers. Haar lach was helder, maar had ook iets kunstmatigs. Aangeleerd als managementinstrument tijdens een cursus inspirerend leiderschap.
Op zonnige dagen verscheen er een wasrekje op haar terras. Stond ze tijdens het bellen op uit de kussens van haar tuinset om te voelen of haar kousen en slipjes al droog waren.

Yves lag meestal al in bed als Maaike eindelijk naar boven kwam. Ze hadden afgesproken dat laptops geen plaats hadden in de echtelijke bedstede. Mobiele telefoons officieel ook niet, maar Yves had besloten dat het pornofilmpje dat hij zichzelf zo af en toe gunde een proportionele reactie was op de toestand van hun huwelijk.
‘Eindelijk slapen?’ vroeg hij haar.
‘Ik weet het. Het is gewoon zwaar met de kinderen thuis. Ik moet bijna al mijn werk ’s avonds doen. Slaap lekker lieffie,’ zuchtte ze nog net voordat ze in coma raakte.
Zijn dromen ondertussen, werden frequenter en volgden telkens hetzelfde script. Yves liep over het paadje, langs haar appartement. Hij bleef even staan. Vervolgens was er een of ander praktisch excuus, een weggewaaid kledingstuk, een onbeheerde telefoon, waarom hij over het lage muurtje haar terras op moest stappen. Voorzichtig klopte hij op haar half openstaande deur, keek naar binnen, maar zag haar niet op haar vaste plek.
‘Hallo,’ riep hij. ‘Sorry, ik heb iets gevonden van je,’ terwijl hij steeds verder haar wereld binnendrong, totdat hij in het smalle gangetje voor haar slaapkamerdeur stond. De droom eindigde als hij de deur opende en zag hoe alleen haar hoofd boven het witte laken uitkwam, met de superieure onschuld van Maria op een renaissanceschilderij. Haar vormen, behaaglijk, warm onder het laken, een lome suggestie van vruchtbaarheid.

Zijn wandelingen werden een excuus om haar te zien. Als haar deur openstond, maar zijzelf onzichtbaar bleef, zorgde hij dat hij nog eens langsliep. En nog eens, soms wel vijf keer op een dag. Hij begon haar weifelend te groeten, zwaaien als ze aan het bellen was, een mompelend ‘alles goed?’ als ze onderuitgezakt tussen de kussens van haar tuinmeubilair lag. Meestal hoorde ze hem niet. Soms had hij de indruk dat ze naar hem glimlachte, maar het kon ook zijn dat die glimlach bedoeld was voor haar gesprekspartner aan de andere kant van de lijn.
’s Avonds als hij weer alleen in bed lag bedacht hij nieuwe scenario’s waarin hij haar kon aanspreken. Of die kat van haar was? Of ze wel aansprak had, nu ze zo veel thuis moest werken. Debiele vragen, nauwelijks geschikt als dialoog voor een pornofilm.
Toen het augustus werd en warm, zat ze steeds vaker in een groene bikini op haar terras. Daaroverheen droeg ze een blouse en een wijde linnen broek. Op zaterdagavonden ontving ze een vriendin, altijd dezelfde. Ze dronken witte wijn en rommelden met een gasbarbecue, lachend om een van de grilplaat afgerolde maiskolf, te zwart voor consumptie. Een enkele keer groette de vriendin hem. Hij voelde zich dan betrapt. Haar blik een verwijt.
Op een vrijdagochtend, het was inmiddels eind september, zat zij op haar hurken met haar rug naar hem toe toen hij langsliep. Ze gaf korte rukjes aan de oranje slang die de gasfles met de barbecue verbond.
‘Kan ik je ergens mee helpen?’ hoorde hij zichzelf zeggen. Omdat ze zich niet omdraaide, herhaalde hij zijn vraag. Aarzelend, alsof hij iets in gang had gezet dat niet meer zonder consequenties kon worden gestopt. ‘Lukt het allemaal?’
Ze stond op, de oranje slang in haar hand, draaide zich om en keek hem enige tijd zwijgend aan. Als de heilige maagd gehuld in haar blauwe mantel, Christus op haar arm met het aureool der uitverkorene rond haar gezegende hoofd, keek ze hem aan zonder hem te zien.
‘Jij wil zeker lekker met mij naar bed?’ Haar zomerjurk, wit met blauwe en gele bloemen, viel decent tot over haar knie. Aan de binnenkant van haar enkel was nog net een kleine tatoeage zichtbaar. Een bloem of een vlinder, rood met zwart. De barbecueslang bungelde onnozel in haar linker hand. ‘Kom maar hoor. Ik heb de lakens net verschoond. Gaan we lekker liggen vrijen. Daar ben je wel aan toe, of niet?’ Ze keek naar hem alsof ze hem zojuist haar uiterste bod in een slopende onderhandeling had gedaan. Een bod waarmee ze hem eigenlijk te veel tegemoet was gekomen. Een bod dat weliswaar nog niet juridisch bindend was, maar ook niet meer met goed fatsoen kon worden afgewezen. ‘Nou, kom je nog?,’ zei ze. ‘Ik heb vandaag nog meer te doen.’
Heel even bleef Yves nog staan. Haar jurk hing losjes om de slanke rondingen van lichaam. Ze legde de oranje slang op het tafeltje naast de barbecue en strekte beide armen naar hem uit. Ze lachte naar hem. De lach van een moeder die een kind aanmoedigt dat niet van de glijbaan durft. Toe maar, Yves, je kunt het. Je zult zien hoe leuk het is. Vertrouw maar op mama. Het is goed Yves, kom maar.
‘Een hele fijne dag nog hoor,’ riep ze hem na terwijl hij zwijgend wegliep. ‘Als je je nog bedenkt, hoor ik het wel. In deze herberg is er altijd plaats.’
Haar lach ging verloren in een koele windvlaag.