Categorieën
Fictie

Tom

Tom

Poes, poeoeoeoes, waar ben je nou, Tommie. Mijn lieverd, mijn alles, niet meer weglopen hoor je me, oh, het maakt me ten einde raad, waar is hij nou, niet jij ook al. Even de buurman bellen, die lomperik met zijn riek en zijn geur jaagt hij alle dieren weg, en dat noemt zich een dierenliefhebber, die boer, alles wat hij in dieren ziet is blinkende koopwaar, alleen maar bedoeld om te melken, geld op de bank, hij weet overal alle subsidies te halen maar geen idee waar het beste graan voor zijn kippen, de vetste uierzalf voor zijn koeien en de zachtste hoefsmid voor zijn paarden te vinden is.
Ik geef toe dat het enige tijd niet goed met me ging sinds mijn man me heeft laten zitten. Na 22 jaar kwam ik er vorige lente achter dat hij met die hoer, die sloerie die voor hem werkte een weekendje in Antwerpen zou gaan doorbrengen, congres ammehoela en ik de reservering van hotel Lit d’ Art Exclusieve Boutique Hotel in zijn auto vond, een super-de-luxe suite terwijl wij in het verleden de goedkoopste Bed and Breakfastjes uitzochten, in Wales en Schotland, in Noorwegen of waar dan ook, in kamers waar de sigarettenrook van de lobby ook in het dekbed zat maar mij hoorde je niet klagen, ik genoot van de bergen, de lochs en de zelf gevangen zalm. Maar ik moet nu nog gniffelen als ik denk aan hoe geraffineerd ik het had aangepakt, hoe doordacht voorbereid, hoe goed ik het stil kon houden ook al liep ik dagenlang met grint in mijn maag rond nadat ik die factuur van 635 euro voor twee nachten zonder ontbijt zag. Ik was hem achterna gereisd en bespiedde het walgelijke tweetal in het restaurant aan de Schelde, liep met stroom in mijn hoofd maar vastberaden als een soldaat aan het front naar binnen terwijl zij giechelend de kaviaar van een lepel likte en de oesters en kreeftsalades al klaar stonden, hij hield niet eens van vis die verrader, het was altijd rosbief voor en kogelbief na, en net toen de etalagepop een oester voor zijn verraderlijke mond hield om op te slurpen, stond ik daar, recht als een kaars voor het keurig gedekte tafeltje, ik zag zijn ogen oplichten en zo groot worden als de bordjes waarop het warme stokbrood lag te walmen en hij zakte in elkaar, verslikte zich in het slijm van het kokkelfoetusje dat deels door zijn neusgaten weer naar buiten kwam, of misschien was het wel snot, en ik kiepte het bord zeewier zo over zijn ijskoude witte overhemd dat ik recent nog voor hem gestreken had en het andere bord over haar geblondeerde stijltangkrullen en ik liep weg de Rijnkaai weer op voordat de obers me konden tegenhouden. En ik lachte, de hele weg naar de parkeergarage en de terugrit naar huis, tranen van het lachen stroomden over mijn wangen, denkend aan die blik in zijn ogen en die gespeelde verontwaardiging van de lipsticksnol en ik zette de CD van Barbra Streisand nog wat harder want ze zong samen met Barry Gibb de prachtige woorden what kind of fool, tears it apart, leaving me pain and sorrow, maar ik voelde me geen sukkel, niet meer, vanaf die dag was hij The Fool en ik zong keihard met B. en B. mee en was zo blij zoals ik in geen jaren was geweest. Ik haalde Tom op uit het kattencafé en we gingen samen terug naar huis, het huis dat kreunde en gromde over zoveel geleden pijn onder haar dakpannen, pijn waarvan ik nu pas besefte hoe erg het was geweest, waar niks meer blonk behalve de sloten want die waren nog nieuw, waar koffers met mannenkleren klaarstonden in de garage om opgehaald te worden want hij kwam nooit meer binnen. Ik had de papieren nauwkeurig ingevuld, de aanvraag was ingediend en de sloten had ik die ochtend nog laten vervangen maar weken later bleek dat hij op slinkse wijze ons huis op zijn naam had laten zetten, de rat, en die rattenvriendjes van hem bij de bank speelden het spel gewoon mee, mij met niks maar dan ook niks achterlatend. Al het meubilair toegeëigend, zelfs de antieke buffetkast die ik van mijn moeder geërfd had, een Engelse beauty uit de tijd van King George II met handgesneden jachttaferelen op de flanken die lieten zien dat in die tijd nog wel duidelijk was wie de jager en wie de gejaagde was en hij zei dat ik toch nooit met haar had kunnen opschieten, mijn moeder, dat het meubelstuk me er alleen maar aan herinnerde hoe borstvoeding-loos onze relatie was geweest, wat ook klopte, tot aan haar laatste zucht aan toe, maar die allesbepalende klootzak had daar niks over te zeggen, door hem ging ik zelfs de waarheid verdraaien, zeggen dat het helemaal niet zo erg was geweest, dat er veel goede momenten waren ook al had ik de bewijzen van het tegendeel gekalligrafeerd op mijn armen staan. Ik was zo opgelucht sinds die nachtmerrieavond in Antwerpen dat hij voorgoed weg was en ik heb sindsdien meer flessen Cava ontkurkt dan in heel mijn studentenjaren bij elkaar, om dat heerlijke gevoel van afronding en voortgang te vieren, ook al had hij al onze vrienden meegenomen, heb ik alleen nog de pensioenrechten en dit hutje op de Drentse hei overgehouden, wel mooi hoor, ben ik blij mee, zo heerlijk relaxed en ik kan er rustig schrijven en schilderen en ik heb Tom natuurlijk nog, mijn eigenwijze haarbal maar zelfs dìe wilde hij nog meenemen terwijl hij niet één keer ooit de kattenbak heeft verschoond of het lipje van een blikje verse tonijn heeft opengetrokken, bang dat zijn mooie schoenen onder de spetters kwamen te zitten, diezelfde schoenen die Tom menigmaal aan de kant duwden als hij door kopjes te geven zijn geurklieren aan onze schenen wilde afgeven om ons zo deel van zijn leventje te maken, maar ik heb er mooi een pootje voor kunnen steken, Tom bleef bij mij, zijn enige echte baasje, de enige die zijn geur wel beantwoordde maar hij is nu ook al zoek. Ow jongen, waar hang je toch uit, Tommieieieie……wacht, ik bel Jan.
Jan, luister eens, ik wilde vragen, heb je Tommie vanmorgen toevallig nog gezien? Ik kan hem nergens meer vinden en vorige keer zat hij ook bij jou, weet je nog, in de loopstal naar jouw brandrode Lakenvelders te staren, machtig mooi vond hij dat, die op en neer malende kaken van jouw beestjes, gehypnotiseerd was hij bijna, ik kon hem toen zo pakken.
Haha, ja, ok, ik kom, ja, doe ik meteen een bakje koffie, goed, nee hij zal niet ver weg zijn en ja hij is gechipt, maar dan is het vaak al te laat hè, daar wil ik niet aan denken. Nee, ik kom eraan. Cappuccino, lekker. Wat zeg je, wat? Tompoes? Bij de koffie? Zit hij daar?
Ow. Ha ha, grapjas, een tompouce van de Hema, ja lekker, vegan. Prima, kom eraan hoor.
Nou dan Tom, heb ik allemaal voor je over, koffiedrinken met die lomperik, dat doe ik, als ik jou maar terugvind, ik laat de deur op een kier schat, kun je altijd naar binnen en bak ik zo een tartaartje voor je.