Categorieën
Fictie

Toen de goden glimlachten

TOEN DE GODEN GLIMLACHTEN

“Indisch”, zei ze, op een toon alsof het iets vies was. De rest van wat ze zei kon ik niet verstaan. Door de deuropening naar de keuken zag ik de moeder van Jan Hendrik en drie andere moeders druk met elkaar praten. Zij zaten aan de keukentafel en keken geregeld onze kant uit. Jan Hendrik had mij en nog drie jongens uitgenodigd voor zijn verjaardag. Hij was zeven geworden. Wij zaten op de grond in de huiskamer en speelden met de elektrische trein die hij had gekregen.

Wat later riep Jan Hendriks moeder ons naar de keuken. Bij het aanrecht schonk zij een beetje rode limonade in glaasjes en vulde die aan met water uit de kraan. Toen wij de keuken in kwamen stopten de moeders met praten. Ik merkte dat zij naar mij keken en voelde mijn hoofd gloeien. Jan Hendriks moeder gaf hem en de andere jongens één voor één een glaasje. “Pak maar”, zei zij tegen mij en bewoog haar hoofd naar het glaasje dat nog op het aanrecht stond. Mijn hoofd gloeide nog meer. Ik begreep niet waarom ik als enige zelf een glaasje moest pakken.
“Kom, we gaan weer spelen”, zei Jan Hendrik. Hij pakte het overgebleven glaasje van het aanrecht en gaf het aan mij. “Wat zeg je dan?”, zei zijn moeder tegen mij. Ik stamelde wat en liep achter Jan Hendrik en de andere jongens aan de keuken uit. Zijn moeder deed achter mij de deur dicht. Ik hoorde dat zij en de andere moeders onmiddellijk weer begonnen met praten. Ik schaamde mij maar wist niet waarvoor.

Wij waren naar de tuin gegaan om in een boom te klimmen. Ik was helemaal naar boven geklauterd. Jan Hendrik stond op een tak, iets beneden mij. De andere jongens waren op het gras gebleven. Zij wilden zich niet vies maken of durfden niet.

Ik keek uit over een enorm bos dat zich achter de tuin uitstrekte. Zover ik kon kijken zag ik bomen, alleen maar bomen. Ik kneep mijn ogen dicht en deed ze na een poosje heel langzaam weer open.

Heel in de verte zag ik nu vage lijnen van bergtoppen, die hoog boven de bomen de lucht in staken. Eentje was nog hoger dan de anderen. “De Priangan”, riep ik naar beneden en wees met mijn rechterarm en wijsvinger in de verte. Jan Hendrik klom verder omhoog, naar de dikke tak waar ik op zat. Hij kwam naast mij zitten. Er was net voldoende ruimte voor met z’n tweeën.

“Daar, helemaal achter de bomen”, zei ik en wees opnieuw. Jan Hendrik probeerde te zien wat ik zag. “Doe je ogen dicht”, zei ik en hij sloot ze. Ik sloeg een arm om zijn schouder, zodat hij niet kon vallen en vertelde wat mijn vader mij had verteld: “Daar ligt de Priangan. Dat zijn bergen en dalen. Er groeien struiken waar je thee van maakt en bomen met allerlei vruchten. Pisang, djeroek, manga, papaja, doerian en nog veel meer. Er is ook een berg waar rook uit komt, een vulkaan. Die heet Tangkuban Prahoe.”

Jan Hendrik hield zijn ogen nog steeds stijf gesloten. “Nu heel, heel langzaam je ogen open doen”, zei ik. Ik keek naar hem, of hij het langzaam genoeg deed. “Zie je het nu?” Hij knikte. “Zie je de vulkaan? Zie je de rook? En zie je ook de andere bergen?” Hij knikte opnieuw. “Helemaal boven in de bergen slapen de goden, de hyangs, en als ze willen spelen gaan ze naar beneden, waar het vlakker is. Dat is makkelijker voor ze, als ze willen voetballen of zo.”

Jan Hendrik sloeg nu ook een arm om mijn schouder. Samen keken wij in de verte. “Het is mooi daar hè”, zei hij. Ik knikte: “Het is zo mooi dat de goden glimlachten toen zij daar voor ‘t eerst kwamen. Toen wilden zij er nooit meer weg.” Ik keek naar Jan Hendrik en zag dat hij glimlachte. Nu wist ook hij van de glimlachende goden en waren wij bondgenoten.

Op de oprit bij de voordeur stonden Jan Hendriks moeder en de andere moeders. Ze waren even druk aan het praten als ze de hele middag al hadden gedaan.
Ik had mijn fiets gepakt en wachtte samen met Jan Hendrik tot de gasten zouden vertrekken. Ik wilde zijn moeder een hand geven maar durfde haar nu niet te storen.
De andere jongens fietsten de oprit op en af, in afwachting van het moment waarop hun moeders klaar waren.

“Zou jij niet eventjes komen bedanken voor de leuke middag!”, riep Jan Hendriks moeder mij plotseling toe. Het voelde alsof mijn hoofd in brand vloog. Zij en de andere moeders staarden mij aan. Ik was verstijfd van verlegenheid. Toen voelde ik een hand op mijn schouder. “Hij heeft míj́ al bedankt”, zei een mannenstem. Ik had hem nog niet eerder gezien maar snapte dat het Jan Hendriks vader was, die achter mij was komen staan. “Ik heb gezegd dat ik zijn bedankje aan jou zou overbrengen”, vervolgde hij. Hij streek met zijn andere hand door mijn haar. “Dank u wel”, zei ik zachtjes.
De moeders hadden daarna weer alleen oog voor elkaar. “Indische manieren”, hoorde ik nog zeggen. De rest wilde ik niet horen.

Het rook heerlijk toen ik thuiskwam. Mijn moeder stond in de keuken te oeleken. Met korte bewegingen van haar pols wreef zij een boemboe van rode rawits, knoflook, trasi en kemirinoten in de stenen tjobek. Pannen pruttelden op het fornuis. Wij aten nasi koening die avond, met rendang, ajam pedis, telor besengek, sajoer lodeh en nog veel meer. Een echte feestmaaltijd. Zomaar. “Even vergeten dat wij in Holland zijn”, zei mijn moeder.

Later, in mijn bed dacht ik aan het mooie landschap van de Priangan en de goden die er voetbalden. Ik moet glimlachend in slaap zijn gevallen.

November 2020
Henk Muller