Categorieën
Fictie

To the “moen” and back

‘Ik kan niet meer, moen’, waren één van haar laatste woorden. Ze houdt mijn handen vast. Zo stevig, alsof ze wilt zeggen dat ik haar niet moet loslaten. Nooit moet loslaten eigenlijk. Maar deze woorden verlaten haar mond niet. Onderdrukt, sprakeloos en verlamd is ze. Enerzijds door de medicatie die haar systeem compleet overneemt. Maar de grootste klootzak is haar mind die een error creëert in haar hoofd en haar opfokt. Ik krijg kippenvel van de blik in haar ogen; koud, donker, en een kwetsbaar gestaar. Haar lichaam is er en zit naast mij op de bank. Toch is ze er niet. Verdwaald en in gevecht met haar innerlijke zelf. Zo’n zwaar gevecht, dat zelfs ik er bang van word. Ik wou dat ik haar kon helpen, echt. Dat ik haar kon verlossen van deze shit.
‘Het komt allemaal goed’, zeg ik. ‘Ga maar lekker slapen, dan voel je je morgen veel beter’.
Ze kijkt me emotieloos aan. Heel mijn lichaam rilt van het gevoel wat ik van haar krijg. Het gevoel dat er iets ergs te gebeuren staat. Alsof de dood mijn leven is ingestapt en mij voorbereidt.
‘Ze gaat toch niet iets geks doen’, denk ik. ‘Ze heeft teveel mensen hier die zielsveel van haar houden en we zijn nog niet klaar om haar te zien vertrekken.’
Ik sta samen met haar op om haar naar de slaapkamer te begeleiden. Mijn broertje is in zijn eigen kamer. Wakker, maar doet zijn eigen ding. Ik stop haar in bed, geef haar een kus op haar voorhoofd en doe het licht uit.
‘Je gaat toch niet weg?’, vraagt ze met veel angst in haar stem.
Ik twijfel, maar mijn gevoel zegt om even te blijven. Tot ze in slaap gevallen is in ieder geval. Ik lig naast haar en merk aan haar ademhaling dat ze kalmer wordt. Ik heb haar handen nog steeds vast. Hoe kan zo’n sterke vrouw, die vol in het leven stond en ervan genoot transformeren in een angstig en kwetsbaar kind? En wat ik kan ik doen om haar beter te krijgen? Er moet toch iets zijn om haar weer terug te krijgen? Het was inmiddels al later en ik sta voorzichtig op. Ik wil haar niet wakker maken.
‘Ga je weg?’ vraagt ze.
‘Ja’, antwoord ik. ‘Maar zie je morgen weer. Dan gaan we een stukje wandelen. Lekker frisse neus nemen. Gaat je goed doen’.
‘Ok’, zegt ze met een lichte teleurstelling in haar stem.
Ik geef haar nogmaals een kus op haar hoofd en vertrok. Met pijn in mijn hart. Want diep van binnen weet ik dat dit een afscheid is. Afscheid van mijn moeder die ik na deze avond nooit meer spreken zal…