Categorieën
Fictie

Tintagel

Hij schreeuwt het uit: hebben jullie nou je zin? In de stromende regen staat hij naast zijn geliefde Saab 96. De duivels uit zijn nachtmerries maakten nu ook overdag zijn leven zuur. Goed plan, Paul! Het is jouw schuld, het is altijd jouw schuld! Het werd tijd. Je zult boeten voor je daden. Maar er klonken ook andere stemmen zachtjes op de achtergrond. Weet je het zeker, Paul? Doe het niet, je hebt nog een heel leven voor je. Even had hij zijn ogen gesloten, één moment van onoplettendheid, één simpele gedachtendwaling, en hij had zijn klassieker boven op een muurtje langs de weg geparkeerd. De voorwielen hulpeloos in de lucht, een bordje Youth Hotel verloren op de motorkap. Een ster in de voorruit verraadt waar hij met zijn hoofd tegen het glas is geknald. In klassiekers geen airbags. Hevige pijnscheuten in zijn linkerknie. Onwillekeurig voelt hij het litteken onder zijn gescheurde broek. De oude wond was weer open.

Het was zijn schuld.
Ze hadden ook kunnen blijven slapen, maar hij moest zo nodig naar huis terwijl het buiten sneeuwde als een gek. Het was al lastig het parkeerterrein af te komen. Iris zat lijkbleek naast hem toen de vrachtauto voor hem begon te schuiven, te snel had hij geremd, tegen alle aanwijzingen uit de slipcursus in. Iris begon te gillen, handen voor haar ogen terwijl hij zich schrap zette tegen het stuur.
Daarna werd het zwart, totdat hij wakker werd in het ziekenhuis. De pijn in zijn knie was onverdraaglijk. In paniek keek hij opzij.
Iris, waar was Iris?
Het was zijn schuld.

De bewolking hangt onheilspellend laag, dikke druppels vormen langzaam kleine beekjes in de berm. Hij zet de kraag van zijn waxjas op. Rood, zijn linkerhand kleurt rood. Natuurlijk, zijn hoofd, dat kan er ook nog wel bij. Hij zet zijn pet op, de regen loopt in straaltjes van de klep, maar niet meer in zijn ogen.

Hij had alles tot in de puntjes uitgestippeld. Nog een keer de witte kliffen van Dover zien oplichten in de ochtendzon vanaf de veerboot, net als die eerste keer met Iris. En het was mooi weer die ochtend, op hun favoriete route naar Tintagel, met hun vaste stopplaatsen voor koffie en lunch. Maar na de koffiepauze was de mist opgekomen, en steeds dikker geworden, om uiteindelijk over te gaan in een gestage miezer. Na de lunch ging het regenen, en dat was niet opgehouden. Het was alleen maar erger geworden.

Zachtjes schudt zijn hoofd, het maakt allemaal niet uit. Eigenlijk wel passend, dit weer, een zonovergoten dag zou hem misschien aan het twijfelen hebben gezet. Maar zelfs zijn laatste dag had hij vakkundig om zeep weten te brengen. Hoe moet hij nu verder? Ze zit niks anders op dan te lopen, geen levende ziel in de wijde omgeving te bekennen. Alleen een groepje schapen, dicht tegen elkaar beschutting zoekend onder een oude boom, lijkt medelijden te hebben met de eenzame voorbijganger. Trekkend met zijn been hinkt hij voort, de pijn in zijn knie verbijtend.

Hoever is het nog? Hij kan zich deze weg niet herinneren. Heeft hij een afslag gemist? Die huizen in de verte, dat zal Tintagel toch wel zijn? Zijn voorhoofd begint harder te kloppen. Een half uur later is hij weer op bekend terrein. Hij slaat de hoofdstraat in. Hier bruist het normaal van de toeristen, nu ligt alles er troosteloos verlaten bij, slechts een enkeling waagt zich op straat en zoekt vergeefs beschutting onder de schamele afdakjes. De auto’s die langs rijden werpen zonder medelijden brede watergordijnen op. Zijn lange lokken zijn doorweekt, zijn jas is rood van het bloed, hij kan zich er niet druk om maken. Straks is alles voorbij, en zal hij nog één keer de in de rotsen uitgehouwen trap beklimmen naar de drakenrots, Tintagel, zetel van Arthur en Merlijn, getekend door de zon, regen en wind. Vandaag zal de regen met hem huilen.

Op de parkeerplaats begint het warempel drukker te worden. Al die gemaakt vrolijke ouders met hun jengelende kinderen onder hun oversized paraplu’s. Die hebben hier in deze regen toch niets te zoeken? Weg jullie, opzij, blijf toch lekker thuis! Woest baant hij zich een weg door de verzopen menigte en klautert, de pijnscheuten in zijn knie negerend, de smalle steile stenen trap op, tot hij hijgend boven komt.
Ineens houdt het op met regenen, alsof de rots boven de wolken uitsteekt. Grijswitte wolken hangen zo laag dat hij ze bijna kan aanraken. Even breekt de zon zelfs door, een hoopvolle gouden zonnestraal doet hem denken aan betere tijden, maar snel schuift een donkergrijze wolk het licht weer uit. Beneden buldert de zee, meeuwen lachen hem uit, de wind fluit een sinister lied. Maar het is tenminste droog. Eindelijk. Hij sluit zijn ogen.

Het was zijn schuld. Hij had naar Iris moeten luisteren. Geen nacht ging voorbij zonder nachtmerries. Zijn leven was zinloos, verschroeid, uitgemergeld, leeg geknepen. Er is nog maar één oplossing, had hij zich voorgehouden. Vastberaden was hij op weggegaan. De oplossing was zo simpel, en tegelijkertijd zo afschuwelijk ingewikkeld. Hij zag maar één manier om die monsters te verdrijven.
En nu staat hij hier, één stap verwijderd van de oplossing. Zijn lichaam doet pijn, het ademen valt hem zwaar, zijn hoofd lijkt te exploderen. Het is alsof de wereld hem wil verpletteren.

Het galmt in zijn hoofd.

Spring, Paul, spring! Daarvoor ben je hier toch?

Hij kijkt om zich heen. Het is zijn verbeelding. Of is het de zee die zo tekeer gaat, de suizende wind die hem parten speelt.

Spring, Steven, je durreft niet, je durreft niet!

Hij slaat wild om zich heen, hij voelt de controle uit zijn lichaam wegvloeien. Zijn hart bonkt in zijn hoofd. Focus, Paul, focus. Hij sluit zijn ogen en richt al zijn aandacht op zijn ademhaling.

Spring, Steven, stel me niet teleur!

Adem in, adem uit. Vier tellen in, acht tellen uit. Het werkt. Zoals altijd. Vier tellen in, acht tellen uit. Langzaam keert de rust terug in zijn hoofd en vormt zich het beeld van zijn Iris, met haar lange zwarte haren wapperend in de wind. Ze kijkt hem liefdevol aan. Haar lippen vormen woorden. Paul, het is goed, ik vergeef je. Doe niet zo dom, pak je leven weer op en denk aan mij. Ze glimlacht en blaast een kus in zijn richting als ze langzaam oplost in de wind.

Zijn hart bonkt nog steeds, maar hij kan tenminste weer ademhalen. Hij voelt een warmte op zijn gezicht en opent zijn ogen. De avondzon scheurt de laatste wolken aan flarden en doet zijn wangen gloeien. Hij koestert de warmte, een warmte die hij de hele dag niet heeft gevoeld.

Er trekt iemand aan zijn mouw. Hij draait zich om. Een meisje met rood krullend haar in een geel regenjasje met blauwe kaplaarsjes kijkt hem met grote ogen aan.
‘Het monster is weg, meneer.’ Ze pakt zijn hand, en trekt hem het pad op. ‘Mamma zegt dat u geen domme dingen moet doen.’
Half verdoofd laat hij zich meetrekken. Monster? Die kleine meid heeft een levendige fantasie. Hij blijft staan, ze probeert hem voort te trekken.
‘Stop eens even’ Hij houdt haar tegen en kijkt haar fronsend aan. ‘Monster? Welk monster?’
‘Het monster dat u naar beneden wilde gooien. Mijn draakje heeft hem weggejaagd.’ Ze kijkt trots over haar schouder. Hij kan een glimlach niet onderdrukken.
‘Jouw draak?’ Hij kijkt in de rondte. ‘Welke draak? Ik zie geen draak.’
‘Hij is nog maar klein, hij zit nu op mijn schouder. Kom!’ Het meisje trekt hem aan zijn arm en wil verder lopen, maar Paul blijft staan.
‘Weet je het zeker? Hoe ziet ie er uit? Heeft ie ook een naam?’
‘Hij heet Kilgharrah, en alleen vrienden kunnen hem zien, hij is mijn vriend.’
Hij gaat op zijn hurken zitten en kijkt het meisje aan.
‘Zeg maar tegen Kilgharrah dat ik blij dat hij het monster heeft weggejaagd, en dat ik ook graag zijn vriend wil zijn. Ik ben Paul, en jij?’ Het meisje draait met haar laarsjes.
‘Ik heet eigenlijk Nicolette, maar iedereen noemt me Nico.’
‘Een prachtige naam, en hoe moet ik je noemen?’
‘Nico. Mamma zegt dat het een stoere naam is.’
‘OK, dan wordt het Nico, inderdaad een stoere naam, ik ben het helemaal met je moeder eens. En waar is je moeder, Nico?’
‘Daar!’ Ze wijst naar een vrouw, een meter of vijftien verderop. Ze zwaait. Aarzelend zwaait Paul terug. Het meisje gaat voor hem staan. ‘Weet je, ik ben jarig vandaag. Kom mee! Dan gaan we het vieren.’
Terwijl ze naar haar moeder rent ziet Paul een draakje, dat hobbelend achter haar aan vliegt.