Categorieën
Fictie

Tijdelijke baarmoederbewoners

Na mijn moeders vertrek, een dag na mijn vijfde verjaardag, maakte mijn vader zijn beroemdste kunstobject: een rozerood, licht doorschijnend peervormig figuur met rimpelige rode banen waardoorheen vloeistof pulseerde. Het kwam in een donkere kamer van een museum te hangen waar geluiden galmden als klonken ze onder water: het kloppen van een hart, geborrel, bedompte stemmen. Om de ketting waaraan het hing, was een elastische paarse slang gedraaid die voor de navelstreng door moest gaan.
Cut off was interactief en werd het pronkstuk van de expositie. Bezoekers mochten er een persoon per keer inklimmen en er op basis van een bepaald innerlijk gevoel een tijdje in hangen. Als “tijdelijke baarmoederbewoner” kreeg je twee touwtjes in handen. Met de ene kon je het tijdelijke verblijf op en neer laten bewegen, en met de andere heen en weer.
Een bevriend kunstenaar had permanent een camera op het schouwspel gezet en maakte van het materiaal een art film die in diverse filmtheaters werd gedraaid. Gaandeweg trok die steeds meer bezoekers en media-aandacht, voornamelijk vanwege de scène over de tijdelijke baarmoederbezoeker Tony V: een man van rond de veertig die in de baarmoederschommel de foetushouding aanneemt, een duim in zijn mond stopt en daarna geen aanstalten maakt om de ingenomen plek te verlaten. Waar de meeste tijdelijke baarmoederbezoekers het na een paar minuten voor gezien hielden, wordt Tony V. na twee uur door de cipier wakker geschud en verzocht om de basis te verlaten. Vanaf dat moment start het huilen dat aanzwelt tot krijsen, hard en hoog, waardoor hij zijn stem verliest. Mensen deinzen achteruit, sommigen lopen weg. Langzaam beweegt Tony V. zich naar het gat waardoor hij ook naar binnen kwam, en laat zich daar vanaf een halve meter hoogte op de grond vallen. De cipier gaat door zijn knieën, er worden wat onverstaanbare woorden uitgewisseld, en even later verdwijnen ze samen uit beeld, Tony V. licht hinkend en op de cipier zijn schouder leunend.
Tony V. verscheen in allerlei bladen en op tv en in elk interview verkondigde hij steeds hetzelfde: ‘Ze trekken je er gewoon uit, de koude realiteit in. Ik was er niet aan toe.’
Sommige mensen beweren nog steeds dat alles in scène is gezet, maar mijn vader en zijn kunstenaarsvriend spreken dat tot op de dag van vandaag tegen.
Mijn vader verkocht het object voor veel geld aan een kunstliefhebber die zich thuis doorgaans als een adult baby gedroeg en een vrouw betaalde om een verzorgende moederrol aan te nemen.
Het grootste deel van de opbrengst werd op mijn spaarrekening gestort, waarschijnlijk in de hoop daarmee het gat dat mijn moeder had achtergelaten enigszins te dichten.
Toen papa me met het vuur in de ogen vertelde dat ik voortaan heel veel centjes had en dat ik die als ik oud genoeg was mocht uitgeven aan wat ik ook maar wilde, vroeg ik of het ook mogelijk was het geld direct in te zetten om mijn moeder terug te halen van het eiland waar ze naartoe was vertrokken met de intentie om zich voorgoed van ons af te steken. Ik wilde weten of ze dan misschien ook een echte moeder zou willen spelen en dan wel zou blijven.
Mijn vader had toen wat uitgeblust voor zich uitgekeken. ‘Nee,’ was zijn antwoord geweest. ‘Bijna alles is te koop, maar dus niet alles.’

Natasja Kraijer