Categorieën
Fictie

Thomas en Gideon

‘Mijn broer heeft zoveel gesproken met God dat hij de duivel niet kan waarderen. Daarom verdween hij nadat ik mijn vader had vermoord. Daarom praat ik nu met u en niet hij. Ziet u, ik heb Gideon beschermd omdat hij mij al die jaren in leven heeft gehouden.’

De jongen lag languit op de leren bank. Zijn in elkaar gevouwen handen rustten op zijn buik. Ondanks het voortdurende oogcontact met de man in de stoel tegenover hem leek hij hem nauwelijks aan te kijken.

‘Ik vind het fijn dat je hier bent, Thomas. Wat wil je drinken?’
‘Cola.’

De jongen glimlachte toen de man de cola inschonk. Nadat hij de frisdrank had aangepakt en een slok had genomen, zette hij het halfvolle glas neer op het tafeltje naast zich.

‘Laten we beginnen, Thomas. Je weet waarom je hier bent. Ik moet je een aantal vragen stellen.’
‘Je vraagt maar raak. Maar ik beslis. Als ik niet wil antwoorden, antwoord ik niet. Duidelijk?’
‘Duidelijk.’
‘Hoe voel je je, Thomas?’
‘Kan niet beter. Echt waar. Er is zo’n zware last van mijn schouders gevallen dat het voelt alsof ik kan vliegen. Even tussen ons: ik had hem veel eerder moeten vermoorden.’
‘En Gideon? Hoe voel je je over het vertrek van Gideon?’
‘Ik was opgelucht na de moord. Maar Gideon gruwelde van mij. Vond dat ik geen recht had op lucht in mijn longen als ik een ander de adem had ontnomen. Ik probeerde hem te overtuigen. Probeerde hem duidelijk te maken dat ik het volste recht had. Dat de klappen van die klootzak mij hadden gedwongen. Maar hij wilde niet luisteren. Hij wilde godverdomme niet luisteren…’

De handen van de jongen waren niet meer gevouwen, maar speelden met zijn haar. Elk krulletje dat werd gedraaid werd net zo snel weer rechtgetrokken en voor het op zijn voorhoofd aanwezige litteken gedrapeerd.

‘En toen is hij verdwenen?’
‘Ja. Ik weet niet wanneer of hoe of waarnaartoe. Maar hij was weg.’
‘Je zei dat Gideon jou in leven heeft gehouden. Hoe bedoel je dat?’
‘Hij ving de klappen op. Mentaal gezien, bedoel ik dan. En er waren mooie momenten samen. Momenten die een tegenwicht boden voor de constante pijn.’
‘Wat voor momenten?’
‘Momenten dat we ontsnapten. Gideon en ik samen, bedoel ik dan. Op de heuvel achter ons huis stegen elke zomeravond luchtballonnen op. Als mijn vader verdrietig was, had hij geen oog voor ons en konden we naar buiten. Dan gingen we in het gras liggen en wensten we dat we in een mandje zaten en de wereld steeds kleiner zagen worden. Gideon hoopte zo de hemel te bereiken. Ik wilde vooral de hel verlaten.’
‘Jullie verschillen veel van elkaar?’
‘Als Yin en Yang, water en vuur – you name it. Ik ben de optimist en hij is de realist. Ik ben voor Ajax en hij is voor Feyenoord. Ik drink alleen frisdrank en hij alleen water.’
‘Lijk jij op je moeder of je vader, Thomas?’

De jongen ging rechtop zitten en haalde diep adem.

‘Volgende vraag.’
‘Je vader, was hij altijd al zo?’
‘Volgens Gideon niet. Volgens Gideon wilde mijn vader wel van ons houden, maar kon hij het simpelweg niet meer. Niet nadat mijn moeder had besloten om niet meer van hem te houden.’
‘Maar die liefde kan jij je niet meer herinneren?’
‘Nee. Mijn eerste herinnering is een gewelddadige herinnering. Gideon en mijn vader waren samen in de woonkamer. Hij keek stiekem naar een foto van vroeger. Van mijn moeder en mijn vader en Gideon. En opeens stond mijn vader achter hem. De klap brak de foto en zijn schedel. Precies door het midden. De foto, bedoel ik dan. Ik heb ‘m nog steeds. Gescheurd van zijn voeten tot zijn voorhoofd.’

De rechtervoet van de jongen begon in een onregelmatig ritme op de vloer te tikken.

‘Hoe oud was je toen?’
‘Zes. Misschien zeven. Ik weet het niet precies, mijn geheugen is niet goed. Ik weet alleen dat ik na dat moment opeens in de kamer stond en mijn vader heb geslagen. Dat heeft hij mij nooit vergeven. Vanaf dat moment was ik de lul en niet Gideon. De volgende ochtend was ik bedekt met blauwe plekken. Die zijn nooit meer verdwenen.’
‘Maar er is meer dan alleen de blauwe plekken. Toch?’
‘Volgende vraag.’
‘Het spijt me, Thomas, maar deze vraag kunnen we niet overslaan.’
‘Volgende vraag, alstublieft.’
‘Thomas, hoe kom je aan al die andere littekens?’
‘U begrijpt het niet. Als ik erover praat dan ben ik daar weer. Dan…’

De jongen pauzeerde. Terwijl het getik van zijn voet heviger werd begon zijn hand te trillen.

‘Vertel verder, Thomas.’
‘Nee, nee.. Ik wil dit niet meer. Ik wil niet meer terug. Niet terug… Nooit…’

De jongen stopte met praten. Zijn linkerwijsvinger gleed langs het litteken op zijn voorhoofd. Zijn ademhaling versnelde terwijl hij zijn kaken stevig op elkaar klemde. Al die tijd keek hij strak naar beneden.

‘Thomas? Thomas, ben je daar?’

De jongen richtte zijn gezicht op. Voor het eerst die dag keek hij helder uit zijn ogen. Diezelfde ogen zweefden door de kamer, op zoek naar iets of iemand. Hij pakte de cola van tafel maar zette het drankje direct weer terug. Heel even staarde hij naar het halflege glas. Toen richtte hij zijn gezicht op en opende zijn mond.

‘Waar is mijn broer? Waar is Thomas?’