Categorieën
Fictie

Terschelling

Terschelling.

Zilte druppels stromen langs mijn gezicht, ik lik het zout van mijn lippen en stap stevig door. Er wordt aan mij getrokken, gerukt en geplukt, de wereld loeit, raast en giert. Ik damp, de hitte die zich gedurende de dag heeft opgehoopt in mijn lijf komt los door de frisheid van de regen.
Mijn haren bewegen wild in een onrustig tempo, gelijk het ritme van de wind. In de luwte van de Brandaris vallen ze stil, beschut door zijn enorme formaat las ik een korte pauze in en leun genoeglijk met mijn hoofd tegen de gevel, alsof zijn gele stenen mij troostend omhelzen. Nog een klein stukje, dan ben ik er.
Gneng, gneng, gneng, vanaf het moment dat ik uit mijn auto ben gestapt, is er die godverdomde twijfel. Alsof er een uitgehongerde cavia in mij huist die zich als een krankzinnige volvreet aan een taaie winterpeen, gneng, gneng, gneng. Het is een kunst om te negeren wat goed voor je is; een kunst die ik inmiddels meester ben. Ik ben namelijk gezegend met een ongezond destructieve persoonlijkheid. Want hier sta ik weer, op de kade met mijn rug naar het water, en druk op de bel.
Vrijwel direct klinkt er een metalig, ijzerachtig, zoemend geluid en de deur springt open. Schimmel vermengd met een zweem van wierook en nat papier, o die geur, zo lekker. Ik sluit mijn ogen, dit thuiskomen doet pijn, veel meer nog dan ik van tevoren had gedacht. Het licht flikkert moeizaam aan, wapperend, alsof er een flinke bries door het trappenhuis waait. Zo op het eerste gezicht is er niets veranderd, op het gezamenlijke postvak aan de muur ontbreekt nog steeds alleen jouw naam en het verkleurde, door vocht opengebroken behang hangt er nog net zo verwaarloosd bij als toen. Dit halletje behoort niemand toe, het is niets meer dan een levenloze opgang naar ieders eigen domein.
De trapleuning wiebelt onder mijn hand die gestaag voor me uit omhoog glijdt, mijn vingers strelen de butsen en schrammen in het hout, ik lees ze af, als een morsecode. Gneng, gneng, gneng, jakkert het dreunend. Ik vertraag mijn pas, besef dat ik minder dan een paar minuten van je verwijderd ben en als er ooit al sprake van ‘perfecte’ timing was, zou dit het moment zijn om rechtsomkeert te maken. Ik moet mezelf vandaag voor eeuwig en altijd ontdoen van deze wanhopige verslaving aan jou, ik zou er, ik weet niet wat voor geven.
Ik smacht naar de dag dat ik je nooit meer het genoegen van mijn lichaam zal schenken. Mijn geest weet wat haar te doen staat, maar vanavond regeert mijn lichaam en zo beweeg ik me stroperig als een zombie door deze koude opgang. Niet alleen liefde maakt blind. De treden kreunen onder mijn voeten en ondanks mijn al te slome tempo raak ik buiten adem; het verlangen dat ik zo lang heb weten te weren, manifesteert zich genadeloos in mijn borst.
Ik heb het je nooit verteld, maar na de eerste keren dat wij indertijd vreeën, stonden de afdrukken van je duimen dagenlang in mijn dijbenen, eerst blauwpaars en in de loop van de week zachtgeel en lichtbruin. Ik vond het jammer dat mijn lichaam er na verloop van tijd weer ongeschonden uitzag. Het fysieke bewijs van jouw aanwezigheid voelde bevestigend, alsof er niets anders was dan dat. Ik was de jouwe, jij eigende me toe, onder jouw streling bleek ik kneedbaar, willoos en bereid. Ik heb me nooit meer zo geliefd gevoeld als toen onder jouw krachtige handen.
Wij zijn een magnetisch veld en of ik het wil of niet, een onzichtbaar koord trekt ons samen. Het benauwt me, toch kruip ik verder omhoog, kraak, kraak, kraak, draai me niet om, loop die eindeloze trap niet af, stap niet in mijn auto en rij niet linea recta naar mijn veilige thuis waar mijn waarlijk lief op mij ligt te wachten.
Ik doe niets van dat alles, integendeel, als een dikke trouwe hond sjok ik naar je voordeur, slof, slof, slof en sta zo meteen als vanouds popelend, kwijlend en hijgend met mijn tong uit mijn mond te wachten tot je me bij je roept om me eindelijk aan te halen. Ik had, na die laatste keer, nooit meer een sms van je verwacht, maar nu is er eindelijk na maanden onthouding de mogelijkheid om mijn verlangen naar jou op te heffen.
Je deur staat al op een kier, voorzichtig stap ik naar binnen. Ik slik een lichte teleurstelling weg, ergens had ik gehoopt dat je groots en romantisch in de deuropening ongeduldig, bijna geïrriteerd op me had staan wachten. Maar natuurlijk, ook dit keer verwelkom je me niet meteen, je schept, dat weet ik wel, genoegen in mijn ziekelijke afhankelijkheid naar jouw liefde, je stelt, net als toen, die lang verwachte catharsis zo lang mogelijk uit. Het liefst wil ik nu heel even onzichtbaar zijn, er trekt een lichte blos over mijn wangen, ik geneer me en blijf in het kleine halletje staan.
‘Hallo?’, zeg ik huiverend, fluisterend, schaamtevol. ‘Hai’, zeg jij vanuit de keuken. Een niet te temmen glimlach overmeesterd mijn gezicht, ik jubel van binnen, mijn zin in jou spettert tegen de muren. Ik ontplof. Jij daarentegen staat op je gemak in de keuken, je maakt nog steeds geen enkele aanstalten om mijn kant uit te komen, me beet te pakken en me te kussen. Gneng, gneng, gneng. Ik bekijk je van top tot teen, absorbeer obsessief elke pixel die mijn blikveld raakt en herhaal wat ik zie als een mantra zodat ik je straks, als ik weer weg ben tot in het kleinste detail voor de geest kan halen. Ik wil je vanaf nu nooit meer hoeven missen. Ik wil vanaf vandaag voor altijd naakt onder je liggen en je priemende duimen in mijn dijbenen voelen. Je donkere blik, zachte ogen, jaloersmakend lange wimpers, slanke handen, blote armen en natte haren. Gneng, gneng, gneng sputtert het nu, zij het vele malen zachter dan even daarvoor. ‘Daar ben je dan’, zeg je bevestigend, voordat je je weg draait om iets neer te zetten of te pakken, wat je ook doet, ik kan het niet goed zien.
Op het aanrecht staat een zwarte thermosfles te dampen. Nonchalant en oorverdovend kalm beweeg je je voort, mij laat je intussen smachtend ploeteren alsof je me straft voor mijn aanwezigheid.
Eindelijk kom je dichterbij, aan je vingers bungelen twee bekers. Je loopt bijna sluipend mijn kant uit, behoedzaam en berekend als een dreigend roofdier vlak voor zijn laatste aanval op zijn uitgeputte prooi, ik durf je niet aan te kijken. Ik versteen en sla mijn ogen neer, halverwege valt mijn blik op je flinterdunne linnen zomerbroek, mijn bloed begint te stromen, het verlamde beest ontwaakt, ik hap naar lucht, o halleluja, jij hebt je tóch ook op ons weerzien verheugd. Gneng …gneng… gneng… echoot het nog een keer ergens in de verte en dan is er rust. ‘Thee?’, vraag je grijnzend.