Categorieën
Fictie

Tennisballen

Ik begon mijn reis de dag waarop ik de man de envelop met geld gaf en hem de hand schudde. Op marktplaats zag ik hem staan. Een lichtblauwe Volvo 240, uitvoering 245 DL LPG, stationwagen. Ik heb geen idee wat het allemaal betekent, maar het is exact de auto zoals ik hem ken uit mijn kindertijd. Ik heb herinneringen waarin mijn vader mij tussen de middag uit school komt halen en mij voorin laat zitten, of aan de keren dat wij samen flyers rondbrachten voor de plaatselijke tennisvereniging. Mijn broer voorin, ik achter de stoel van mijn vader. De mannen onderweg. De met leder bekleden, schuimen hoofdsteunen ruik ik nog, ik drukte mijn neus er altijd tegenaan als ik misselijk werd van het rijden. De grove, grijsblauwe bekleding met een ribbeltje in de stof kan ik nog voelen. Ik kijk de verkoper na wanneer hij terug het tuinpad oploopt naar zijn woning en de deur achter hem in het slot laat vallen. Ik draai me om. Daar staat hij, alsof ik zo het bijrijdersportier kan openen en voor bij mijn vader kan instappen. Ik loop rond de auto, voel met mijn vingers de lak, strijk over een paar kleine krasjes boven het achterste, rechter wiel en open het portier. Ik ga zitten, sla mijn handen om het stuur en sluit mijn ogen. Ik zucht alsof ik thuiskom na een vermoeiende, lange vliegreis, waarin slapen door de krappe beenruimte en de brede medereiziger naast je niet mogelijk was. Ik zucht alsof ik net de top heb bereikt en nu een uitzicht waarneem waarvoor ik in 34 graden, op alleen een flesje lauwwarm water en een klef broodje, vier uur heb gelopen. Ik zucht omdat ik weet dat het nu gaat beginnen. Ik duw de zware koppeling in en steek de sleutel in het contact. Ik herken het geluid van de motor. Voorzichtig laat ik de koppeling omhoogkomen en geef gas, ik draai het zware stuur naar rechts en ben onderweg.

Ik rijd via de Belgische Ardennen, door Luxemburg en een stuk ‘Autoroute du Soleil’. Binnen 12 uur zou ik op de camping in Valras-Plage, een plaats in het Zuiden van Frankrijk, moeten aankomen. Net als drieëntwintig jaar geleden. Ik neem de weg die wij toen reden. Mijn vader, moeder, zus, broer en ik. Mijn vader overleed 16 maanden na deze vakantie. Het begon met rugpijn, toen was het al te laat. Mijn moeder legde dat zo uit:
‘In pappa’s lichaam zweeft een tennisbal, die moet eruit want papa wordt er ziek van. De dokters hebben dat geprobeerd, maar de helft van de tennisbal is blijven zitten. Doordat de bal gescheurd is, zijn er allemaal kleine tennisballen ontsnapt, die stuiteren door het hele lichaam van papa en kunnen er niet uit.’
‘Gaat papa dood?’
‘Ja.’
‘Waar gaat hij dan naartoe?’
‘Hij zweeft dan naar boven, en vanaf daar kan hij altijd naar jou kijken.’
‘Stoot hij onderweg zijn hoofd niet?’
‘Nee’, glimlacht mijn moeder, haar ogen tranen ‘als iemand dood is, kan diegene overal doorheen’. Tevreden met dat antwoord loop ik de tuin in. Een kind neemt precies de hoeveelheid dat hij aan kan.

In Luxemburg maak ik de eerste stop. Ik gooi de tank vol en koop een pakje drum en vloeitjes. Ik rook niet, maar de traditie wil ik in ere houden. Ik draai mijn eerste shagje, leunend tegen de blauwe Volvo van mijn vader, de zon schijnt, een warme wind waait mijn haar voor mijn ogen. Dit beeld zou ik op camera willen, maar er is niemand die de foto maakt. Ik stap de auto in, leg de gerolde sigaret naast me in het handschoenenkastje, draai mijn raam open en zoek een zender zonder ruis. De uren gaan voorbij, ik besluit binnendoor te rijden.
Ik kijk met een oog op mijn telefoon die op de bijrijdersstoel ligt. Drie gemiste oproepen van Ada. Ik zet de auto aan de kant van de weg en bel haar. Ze neemt direct op.

‘Aldan?’ Ze klink onzeker, alsof ze twijfelt of ik het ben.
‘Aldan, waar ben je?’ Duidelijker, ze heeft zich herpakt. Ik adem diep in en zoek naar woorden. ‘Je bent vertrokken’, zegt ze.
Ik ontmoette Ada zo’n drie jaar geleden. We woonden in hetzelfde appartementencomplex en waren elkaar al vaker tegengekomen, maar vielen elkaar nooit op. Tot die avond in de lift. We waren beide uit geweest, de werkweek was van ons afgedanst en drank zorgde ervoor dat we rossig het weekend ingingen. Ze hield de liftdeur voor me open toen ze me het gebouw in zag komen.
‘Aldan, ik wil dat je iets zegt nu’, ze klonk rustig.
‘Ja’, antwoordde ik en ik dacht even na over haar vraag. ‘Ja, ik ben vertrokken’.
‘Kom je terug?’

In het felle licht van de lift viel mij haar blanke huid op, bijna doorschijnend. Bedolven onder sproetjes. Als je er lijntjes tussen zou trekken, zouden er tal van figuren in haar gezicht bestaan. Een verbindt de punten kleurplaat. Ze lachte naar me, en ik wist dat ik aan het staren was. De liftdeur ging open en in naar buitenstappen vroeg ze zonder enige twijfel of ik voor het ontbijt zou zorgen. Te perplex om iets bijdehands te kunnen zeggen mompelde ik iets wat zou moeten doorgaan voor ja. De volgende morgen stond ik om 10.00 uur in de rij bij de bakker en met verse croissants, confituur en een zwaar hoofd belde ik bij haar aan. Het ontbijt is het favoriete moment van mijn dag, zei ze toen ze me zag. Ze liet me binnen en vanaf toen ben ik gebleven. Tot nu. Koffie uit een automaat smaakt naar niets, ook in Frankrijk. Met een opengeslagen landkaart voor me probeer ik uit te vinden hoe ik het laatste deel van de route moet afleggen. Ik vervloek mijzelf omdat ik de navigatie heb thuisgelaten. Ik pak de shag uit mijn jaszak en rol een sigaret, beter dan de eerste. Het vloei dat tussen mijn vingers om de tabak draait. Ik sluit mijn ogen en zie Ada. Ons huis, haar rode haar. Ze zit op de bank, haar benen opgetrokken tegen haar borsten. Ze staart uit het raam en haar telefoon ligt vlak naast haar. Wachtend op dat ik dat ik iets laat horen. Ik twijfel haar te sturen dat ik aan haar denk. Ik doe het niet. Ik kijk naar buiten en merk dat ik verdomme vlinders in mijn buik krijg van die oude, blauwe bak. Of van Ada.

‘Zet je de tv uit?’
Ik kijk sesamstraat in de hoek van de bank, verstopt tegen de leuning. Het huis is inmiddels volgestroomd met familie, voornamelijk van mijn vaders kant. Hij kwam uit een groot gezin. Liever kijk ik verder, maar ik klik op de rode knop.
‘Kom je erbij?’
We staan op een rijtje. Nog nooit heb ik het hoofd van mijn broer zo opgezet rood gezien, nog nooit heb ik iemand zo horen snikken.
‘Je huilt’ zeg ik.
‘Niet waar’ antwoordt mijn broer.
Mijn zus zwijgt.

Ik reken de koffie en vijf ansichtkaarten af. Van die kaarten die eigenlijk niemand wilt krijgen, maar sommige mensen toch halsstarrig blijven versturen om te laten weten dat zij ontzettend aan het genieten zijn en hopen dat jij, de thuisblijver, dat niet doet. Kaarten die ook altijd aankomen wanneer de zender alweer een week thuis is en al lang en breed met iedereen heeft besproken hoe heerlijk de camping was. En de wijn. En het eten. En de markten. En de zeep op de markten. En de wijn. En het eten. Ik steek de kaarten in mijn binnenzak en loop terug naar de auto. De medewerker van het tankstation heeft uitgelegd waar ik een postkantoor kan vinden. Als ik het schudden van zijn rechterhand en het draaien met zijn linkervoet begreep, is het na de eerste afslag hooguit vijf minuten rijden. Ik verbaas me als ik uiteindelijk het postkantoor of eigenlijk de brievenbus vind en houd mezelf voor dat ik een aardig woordje Frans spreek. De kaarten doe ik in de brievenbus. Vijf woorden, vijf kaarten allemaal hetzelfde adres. Ze komen waarschijnlijk aan als ik al een week thuis ben. Ik glimlach bij de gedachten aan haar. Zij die de kaarten van de deurmat raapt en de woorden achter elkaar op de keukentafel uitstalt. Ik ben het grootste cliché op deze aardkloot, maar kan alleen maar hopen dat haar antwoord ja is.
Ik geef een knuffel aan mijn vader, of eigenlijk knuffelt hij mij. Mijn armen hangen langs mijn lichaam, slap. Pak hem vast, wil ik tegen dat jongetje zeggen. Pak hem vast en snuif hem op, raak hem aan, voel zijn armen, geslagen om jouw lichaam en onthoudt de druk van zijn lippen tegen jouw voorhoofd, dit is de laatste keer dat het kan. Maar een kind neemt precies wat hij pakken kan. Zonder paniek, zonder huilen, zonder laatste blik loop ik de trap op naar boven. Als ik later beneden kom, liggen er watten op zijn ogen en ruikt hij naar bloemen. Lavendel.