Categorieën
Fictie

Teloorgang

Teloorgang

Wierookgeur dringt in mijn neus. Zet zich vast in mijn kleding. Nestelt zich in mijn haar. Het is een geur die lang blijft hangen. Dat wordt weer wassen. Zowel mijn kleding als mijn haar. Ik schuif heen en weer op de harde bank. De dame naast me had het laatste kussentje voor mijn neus weggekaapt. En dat terwijl ze zo te zien genoeg zitvlees heeft. Ik schuif nog een keer heen en weer. In de hoop dat de bank zachter wordt? Of dat de tijd sneller gaat? Vooraan in de kerk staat de kist. Zwart, doods. Stil. Aan weerszijden geëscorteerd door twee kaarsen die half opgebrand zijn. Zouden er dit jaar al zoveel begrafenissen geweest zijn?

Geen bloemen had er op de kaart gestaan. Wel een donatie voor het fonds dat zijn geliefde kerk, de St. Agnes, waar hij nu in horizontale positie tussen zes plankjes ligt, aan het restaureren is. Jammer dat hij de voleinding van de restauratie niet heeft mogen meemaken. Elke dag maakte hij zijn gang naar het plein. Ging een kijkje nemen hoe ver de bouwvakkers vorderden. Op een bank naast de ingang van zijn St. Agnes hadden ze hem een paar dagen geleden gevonden. Het had geleken of hij in slaap gevallen was. Zijn mond hing half open en zijn tot op de draad versleten jas was stevig dichtgeknoopt.

De kroonluchter hangt zwijgend boven de kist. Het schijnsel doet zijn best de schimmen uit de hoeken te verdrijven. Ik kijk in mijn programmaboekje. We zijn nog niet eens halver wegen de dienst. Had ik nu maar iets te drinken meegenomen. Ik buk, op weg naar mijn tas. Met mijn hoofd raak ik de plank van de bank voor mij. Er gaat een schok door mijn lijf. Ik kan nog net verhinderen dat er een paar woorden over mijn lippen rollen die de dode in zijn kist zou hebben doen omdraaien. De dame naast me kucht. Ik aarzel. Was dat voor mij bedoeld? Als ik weer rechtop zit kijk ik haar aan. Ze kijkt strak voor zich uit en frunnikt aan haar papieren zakdoekje. Ik rommel in mijn tas op zoek naar mijn rolletje pepermunt. Ondertussen probeer ik in de woorden van de pastoor een rode draad te vinden. Woorden als ‘zaligheid’ ‘heerlijkheid’ ‘opstanding’. Ik krijg er vreemde beelden bij. Mijn sleutelbos rammelt. Mijn telefoon trilt. Wie zou dat zijn? Zal ik even kijken? Dat komt mij vast en zeker op nog een kuch van mijn buurvrouw te staan. De inhoud van mijn tas gaat door mijn handen. Mijn portemonnee, mijn paspoort, lippenstift, tampons. En de gladde vierkante verpakking die voor mij het woord heerlijkheid vertegenwoordigd. Mijn buurvrouw kan het niet gezien hebben. Ik zucht. Dan maar geen pepermuntje.

De Gregoriaanse klanken golven over de kerkgangers begeleid door een enorme regenbui. De druppels roffelen op de gebrandschilderde ramen. Mijn tas laat ik op mijn schoot staan. Ik sluit mijn ogen en probeer van de klanken te genieten. Sereen. Gedragen. De overledene had het prachtig gevonden. Vreemde regels hebben ze, die katholieke jongens. Geen vrouwen, geen huwelijk, geen familie. En geen seks? Daar hebben sommigen vast wel iets op verzonnen. Langzaam zweef ik weg op de tonen van de muziek. Zou er aan de andere kant ook muziek zijn? Er spat iets uiteen op mijn wang. Ik kijk omhoog. Een volgende druppel landt op mijn voorhoofd. Op het plafond tekent zich een natte spleet af waaruit druppels sijpelen, van alle kerkgangers uitgerekend op mijn gezicht.

Ik voel een hand op mijn arm. Mijn buurvrouw reikt me haar pakje papieren zakdoekjes aan. Denkt ze soms dat ik aan het huilen ben? Ik knik en lach vriendelijk. Haal er een zakdoekje uit en geef haar het pakje terug. Veeg mijn gezicht droog en ga verzitten in de hoop om uit het schootsveld van het lekkende plafond te geraken. De druppels volgen elkaar steeds sneller op. Vormen een straal. Het vocht trekt door de hele spleet. Mijn buurvrouw kijkt nu ook omhoog en schuift eindelijk een stuk opzij.

Onverwacht klinkt het Amen. Ik zucht. De kerkgangers stromen uit de banken, op weg naar de kist voor een laatste groet. Eindelijk kan ook ik opstaan en ben verlost van die harde bank. Van de stank van wierook. Het gezang. De eeuwenoude rituelen. En de lusten van St. Agnes.
Met een ruk kom ik tot stilstand. Het hengsel van mijn tas blijft achter de leuning haken. Ik trek en ruk en met een zwaai schiet het hengsel los. Met als gevolg dat de inhoud in het gangpad landt. Mijn lippenstift rolt tussen de voeten van mijn buurvrouw door. Mijn portemonnee klettert onder de bank gevolgd door mijn tampons. Daar zie ik zowaar het rolletje pepermunt waar ik al die tijd naarstig naar op zoek was. De mensen om me heen schudden met hun hoofd. Mijn lippenstift wordt verplettert onder het gewicht van een oudere heer. Zo snel mogelijk grabbel ik mijn spullen bij elkaar. Aangestaard door de aanwezigen die langs me heen schuifelen. Een jongeman glimlacht naar me en helpt me met het bijeen rapen van mijn spullen. Ik ben dankbaar voor de hulp en wil hem mijn liefste glimlach schenken als ik zie wat hij in zijn hand houdt. Mijn glimlach bevriest en de woorden Dank je blijven in mijn keel steken. Bovenop mijn portemonnee ligt de verpakking condooms. Ik gris de spullen uit zijn hand, sta op en verdwijn zo snel mogelijk door het gangpad op weg naar buiten. De frisse lucht tegemoet.

@SelmavanDijk