Categorieën
Fictie

(Tele)Phantasmagoria

Van: de Artiest | Aan: het Anker | 12 september 2042


Anker,

Ik moest je nog iets zeggen, over de laatste keer dat we jullie zagen. Weet je nog, die zomeravond? We waren samen naar het park gegaan. Jij en de Actrice, de Architecte en ik. De nodige afstand tussen ons, en dan met het vallen van de nacht afscheid genomen. Jullie gingen terug naar huis, of tenminste dat zeiden jullie. Wij hadden dat ook gezegd, maar zoals zovele gesproken woorden, was dat een leugen. Verborgen achter onze maskers voelden we ons veilig die nacht. Sterk, alsof we de wereld aan konden. Dus wandelden we verder, door de verlaten straten die nog nazinderden van de intense warmte van die dag. Dankzij de Agent wisten we waar ze patrouilleerden, dus konden we hen gemakkelijk omzeilen. En we wisten ook waar ze niet zouden zijn die avond. Bovenop de opgehoogde dijken en verloren appartementen. Daar waar enkel de vuurtoren nog uitsteekt boven de Nieuwe Noorderdam. Naar dat strand werden we toegetrokken. Onontkoombaar, als waren we het water zelf. Het was magisch, bijna, hoe we tegen elkaar fluisterden dat we de zee wilden zien, vlak na we dag hadden gezegd tegen jullie. Hoe synchroon we toen waren. We werden geroepen door de nacht. Samen.
Een enkele keer zagen we de schijnwerper van een zaklamp tegen de donkere nachtlucht flitsen, maar die verdween al gauw terug in het betonnen doolhof dat we thuis noemden. De rest van de nacht waren we alleen. Sarah, ik, de zee en het zand. Golven gleden over onze voeten terwijl onze handen zich dieper in het zand en elkaar begroeven. Zo een prachtige avond kon ik niet verpesten door het vergeten van zo’n rubberen kleinigheid. Niet veel later lagen we samen tot onze knieën in het water, weg te dromen over waar onze verstrengelde wegen naartoe zouden leiden. Ik zou zo de rest van de nacht doorgeslapen hebben, als mijn rust niet verstoord werd door een koud tikken tegen mijn been.
Op het ritme van het tij dat de lusten van de dag aan het sussen was, kwam het steeds terug. Uiteindelijk stopte ik met het te negeren. Ik ging rechtop zitten, en met vermoeide ogen zocht ik naar stoorde. Sarah zag het eerder dan ik.
‘Daar’ zei ze en ze wees naar iets dat tussen mijn benen dreef. Glinsterend in het maanlicht; een vreemde, glazen fles. Het ding zag er oud uit. En dan heb ik het niet over oud zoals de flessen die we eens hebben buit gemaakt in je opa’s wijnkelder. Nee, het gaat over eeuwen. Over een tijd ver voor de Regularisatie. Voor er standaardmaten, of zelfs vormen, waren. Breed in het midden, smal aan de uiteinden, en met glazen banden omwonden. Het was een slang, merkten we zodra we ze in het maanlicht hielden. In de muil van het beest, tussen de tanden, zat de kurk; de staart verdween aan de bodem. Toen zagen we ook dat er iets in zat.
Ik weet niet of het telt als serendipiteit, maar het was net zoals op de m-disk van The Police die je vorige keer had verstopt. (Ondertussen heb ik die al doorgestuurd naar de Agent, ik schrijf je een andere keer wel wat ik ervan vond) Een klein opgerold papiertje. Een boodschap. Hoewel ik de kurk zo stil mogelijk van de fles trok, weergalmde de knal toch nog over het strand. Sarah legde haar hand op mijn arm om me aan te manen voorzichtig te zijn. Uit mijn ooghoeken zag ik haar verschrikt rondkijken. Speurend naar beweging, zowel in het zand als in de lucht. Zelf haalde ik enkel mijn schouders op. Volgens Sarah zit ik vaak ergens tussen dom en dapper, maar jij en ik weten wel dat het niet meer dan een goed, ouderwets fatalisme is. En in dit geval was ik ook meer geïnteresseerd in de verborgen boodschap, dan direct terug te keren in onze schemerige realiteit. Ik schudde het briefje uit de fles, gaf die aan Sarah en rolde zelf het papiertje open. Daarna hield ik ook dit omhoog in het blauwe licht van de maan om het beter te kunnen zien. Het was broos, bijna doorschijnend – zo dun. De letters waren duidelijk, maar de betekenis ontgaat me nu nog altijd.

‘Slaper, ontwaak vannacht. Breng het leven
In de droom van onmacht. En kwaad vergeven
Door hoop. Spreek en geloof.
Eind van de dageraad, de avond zal beginnen.
Seizoenen kwijnen uitgedoofd, alles stopt’

Dat is wat er stond, geparafraseerd natuurlijk, want nadat ik de tekst had voorgelezen voor Sarah, werden we overvallen door een intense vermoeidheid. We vielen tussen de golven in slaap, en toen we ‘s ochtends wakker werden, was het enige dat ons restte de vage herinnering van een magische avond.
Wel, een herinnering die in een kleine negen maand iets minder vaag zal worden. Een herinnering waarvan ik, als ik eerlijk ben, niet weet of we er klaar voor zijn.

In ieder geval moest ik die ochtend terug naar het atelier. Posters ontwerpen zichzelf nog niet, hoewel ik ook maar zoveel variatie in een alziend oog kan steken. Gelukkig heb ik weer goeie feedback gekregen: ‘Doet niet klein genoeg voelen; moet bedreigender.’ Dus als je later in de week langs de derde Keizersweg passeert, schrik niet te veel. Het is maar een tekening van onze goede vriend.
Wat ik je heb opgestuurd ook. Of daar lijkt het tenminste op. Het heeft wat experimenteren gekost, maar als je het juiste licht door de glazen plaat laat schijnen, krijg je een ander beeld te zien. Weet je nog, die oude plannen, voor de draaiende lantaarn, die ik je enkele maanden geleden heb opgestuurd? Wel, daar is het voor ontworpen.
Laat me weten of het werkt.

Tot we elkaar nog eens zien, of tot schrijfs
R. – De Artiest