Categorieën
Fictie

Tegenwind

Vierentwintig jaar geleden: 1997. Ik zat op de bagagedrager van de zwarte stalen Gazelle. Mijn oom zat voorop. De banden had hij ‘lekker hard’ opgepompt, zoals altijd. Oom Gèr zorgde goed voor zijn spulletjes. Heel goed. Hij zorgde ook goed voor zichzelf. Heel goed. Hij schepte als eerste op, lekker veel; zette de tv aan op de zender van zijn keus, Lingo of iets informatiefs, meestal saai; en hij kreeg chips, nootjes of toastjes bij zijn bier. Ik kreeg oprispingen bij mijn warme melk met een vliesje, en hooguit een kwaaie blik als ik mijn neus dichthield bij het drinken van dat bocht. Hij deed waar hij zin in had. Hij hoefde niet af te wassen, niet te stofzuigen, hoefde geen boodschappen te doen en zijn tanden niet te poetsen.

Met elke oneffenheid in de weg veerde ik op en zwierden mijn spillebenen door de lucht. Bij het landen stuiterde ik op mijn kont. Ik, ondankbaar jong van zeven dat zijn zuur verdiende rust had afgepakt, hield me stevig vast aan het leren zadel en lette op dat mijn handen niet tussen de spiralen kwamen wanneer het achterste van mijn oom, ook goed onderhouden, net zo oplichtte als dat van mij. Hij landde vast zachter dan ik. Míjn knokige billen waren beurs. Hij deed het vast expres. Zo betaalde hij me terug.

We fietsten over de dijk, door de weilanden. Zoals dat gaat op de dijk, hadden we tegenwind. Mijn oom zat voorover gebukt en had zijn gewicht nodig om vooruit te komen. Uit het niets liet hij een scheet. Zuur en weeïg. ‘Even de turbo aangezet.’ Hij moest er zelf erg om lachen. Hij keek achterom en bulderde het uit. Een speekseldraad landde op mijn wang. Oom Gèr vond zichzelf een grapjas. Hij had het vaak geprobeerd, maar zijn grapjes hadden het nooit gered tot de moppentrommel van de Donald Duck. Dat zegt genoeg. Net als dat die Donald Duck niet voor mij was, maar voor hem. Zoals dat andere blad, dat in de Leesmap zat, dat met die blote vrouwen. Het ging soms mee naar de wc.

In het achterwiel zat een slag. Tik. Tik. De wind gleed over mijn oom heen. Hij striemde in mijn gezicht. Ik hoopte dat ik van de fiets af zou waaien. In mijn gedachten bracht de luchtstroom me weg. Ver weg van hier. Ver weg van ouders die ‘even niet meer voor je kunnen zorgen’. Weg van een dikke, kwade oom die er geen zin in had, en dat ook onomwonden zei, die al een kind had grootgebracht, ‘er klaar mee’ was, die voor het blok was gezet. ‘Anders ben ik weg,’ had mijn tante die anders niets in te brengen had gezegd. ‘Hij is pas zeven en heeft al zoveel meegemaakt.’ Het was menens.

In gedachten woei ik naar verre oorden, waar bomen konden praten, waar mijn ouders zonder zorgen vriendjes waren. Zonder drank. Zonder ‘medicijntjes’ die door een schichtige brommerjongen met diepliggende ogen werden afgeleverd bij het kruispunt om de hoek. Het rook er naar aardbeien en vanille in dat oord. Ruzie bestond daar niet. Dáar in dat land met pratende konijnen, zo groot als ik, die breed lachend rechtop liepen op twee poten. Ze droegen Nikes. Zíj wel. Wanneer ik daar was, kreeg ik ook een paar hoge Air Jordans. Iediwiedies noemde ik ze, de wezens met roze langharige vacht die me bij aankomst altijd omhelsden met beide armen en hun drie staarten. Super zacht. Ik kon ze alles kwijt. Iediewiedies waren échte vrienden. Vooral Mesjogge die anders dan mijn oom wel grappig was, alles durfde en voor niets en niemand bang was en Kierewiet die lief was, niet om Mesjogge, maar wel om mij lachte en van knuffelen hield, enorm van knuffelen hield.

Ik hoopte dat ik van de fiets zou waaien. Toch hield ik me stevig vast. Bang dat het zou gebeuren, maar net niet ver genoeg, net niet buiten het bereik van nonkel Gèr. De rapen zouden gaar zijn. Ik was pas zeven en wist al wat dat betekende. Net als dat ik mijn beurse bibs nu echt moest ontzien.

De laarzen die ik aan had waren te groot. Ik had ze geleend van mijn neef, die veel ouder was dan ik, en groter. Hij was het huis al uit. ‘Dus het is niet zo’n probleem’, had mijn tante, de enige zus van mijn moeder gezegd.

Mijn oom droeg de verrekijker. Hij hing in een luxe leren koker over zijn schouder op zijn rug. Hij had de lenzen gepoetst en zou dat weer doen zodra we thuiskwamen. De koker hupte met het opveren van de fiets op en neer en had mijn slaap een paar keer goed geraakt. We hadden kievitseitjes geraapt. Ze zaten in mijn rugzak. In die tijd mocht dat nog, al was het ook toen al niet een gewaardeerde hobby. Ome Gèr had daar ‘schijt aan’. Sowieso aan wat anderen mochten vinden. De centerfold lag open en bloot in het zicht.

Nonkel Gèr had zijn blik door de kijker over de weilanden laten glijden op zoek naar een kuifje van een vrouwtje. In de tussentijd verveelde ik me rot. Ik dacht aan het pleintje waar ik vroeger speelde, aan Iediewiedies, zelfs aan mijn oude school. Dat liet ik niet blijken. Ik liet het wel uit mijn hoofd. Ik, ondankbaar kind.

‘Zie je al wat, nonk Gèr?’
‘Daar! Een meter of honderdvijftig vooruit, en dan iets naar rechts. Daar zit ze. Op één uur. Kijk maar eens.’ Hij gaf me de kijker.
Hij had van tante de opdracht gekregen iets leuks met me te doen. ‘Doe het toch voor hem’ had ze gezegd. ‘Zie je niet hoe moeilijk hij het heeft?’
‘Sinds wanneer is dat mijn probleem?’ had hij nors geantwoord. ‘We doen genoeg. Dat jong van die achterlijke zus van je kan van geluk spreken dat hij tijdelijk hier kan bivakkeren.’ Ik deed alsof ik het niet hoorde. En ergens was dat zo. Het drong nog niet echt tot me door.

Ik keek door de verrekijker. Het ding was zwaar. Ik wist niet hoe ik moest scherpstellen. Ik zag het groen van gras vervaagd vermengd met grijze lucht.
‘Zie je haar?’
‘Nee, nog niet.’ Ik keek rond. De boerderij verderop was een wazige bruine vlek.
‘Nee, daar’ zei hij geïrriteerd. ‘Recht vooruit. Iets naar rechts.’ Oom Gèr werd ongeduldig. ‘Zie je haar nu nog niet?’
‘Ja, nu zie ik haar. In het gras met die kuif, toch?’ loog ik.
‘Ja. Nu moet je naar het nest blijven kijken, terwijl je ernaartoe loopt. Laat je niet afleiden. Loop maar achter mij aan.’

Hij liep met grote passen in de richting van zijn schat. Ik liep achter hem aan. Ik kon hem nauwelijks bijbenen met de grote laarzen die wegzakten in de zompige grond. Oom Gèr zag het nestje en raapte de eitjes. Hij was trots. Hij vond zichzelf een echte avonturier. ‘Drie, niet verkeerd’ zei hij in zijn nopjes.

Mijn oom hield niet van fietsen. Zeker niet van fietsen met tegenwind en al helemaal niet met míj achterop. Nu floot hij deuntjes terwijl hij vocht tegen de wind. De wind die zoals dat ging op de dijk inmiddels was gedraaid. Thuis wachtte hem een beloning, gekookt, niet te lang, een beetje snotterig met wat mayo, peper en zout op een toastje. Hij kon niet wachten.

Tik. Tik. Achterop de fiets dutte ik in. Door de wind kon ik mijn ogen niet openhouden, het wiegen van de fiets deed de rest, geholpen door mijn gedachten die dromen wilden worden. De Iediewiedies wilden met me spelen. Ik had mijn laarzen uit en mijn Nikes al aangedaan.

Mijn grip verslapte. Tik. Tik. Een laars gleed uit. De koker sloeg weer tegen mijn slaap. Mijn voet kwam tussen de spaken. De fiets sloeg op de grond. Bam! Ik lag eronder. De rechter laars zat nog in het wiel. Mijn oom was onverwacht atletisch van de fiets gesprongen. Hij was ongedeerd. Ik zag het direct: in het achterspatbord zat een knik. Hij zag het ook. ‘Godverdomme!’ zei nonk Gèr. ‘Wat is dat toch met jou? Het is ook altijd wat.’
Mijn voet bloedde en deed pijn, maar de eitjes waren ongedeerd. ‘Godzijdank.’

‘Ga zitten’ maande hij zodat hij het gevecht met de wind kon hervatten. Ik hield me stevig vast. De wind in mijn gezicht welde tranen op. Mijn voet klopte in de te grote laars. Hoezeer ik mijn best ook deed, de Iediewiedies bleven weg. De laarzen bleven laarzen.

De huisarts, een vriendelijke man met grijze krullen en warme handen, die van alles over het menselijk lichaam wist, maar niets van mensen, die er zomaar op vertrouwde dat de zachte snikken door mijn kloppende voet en de schrik waren ingegeven, had er goed naar gekeken. ‘Je voet ziet er gehavend uit. Dat zal nog wel even pijn doen. Maar hij is niet gebroken’ zei hij. ‘Je hebt geluk gehad, knul.’ Ik was pas zeven en wist al beter: ik had de wind juist tegen.