Categorieën
Fictie

Tech

Anasta de Schone heerste over de Maan.
Er werd gewerkt aan machines die gedachten konden lezen. Wetenschappers werkten aan een batterij die niet leeglopen kon. In het hoge noorden van de Mare Imbrium, met haar vulkanische ondergrond, waren de rijke suikerrietplantages, waar Caucasus werd gedistilleerd, een rum. Na fermentatie rijpte het goedje in eikenhout. Zo kreeg het dronkensap een warme kleur.
Net toen we dachten dat we ongeschonden de douane waren doorgeraakt, hoorden we uit de richting van het grenskantoor een vermanende kreet.
‘Jullie daar, halt houden !’
‘Betrapt,’ zei Ahmed, ‘ik weet het zeker.’
‘Ik denk dat je gelijk hebt,’ zei Fitzpatrick en hij zocht een uitweg.
Er stond een melkwagentje van Citroën langs de weg, met pinkende richtingaanwijzers. ‘t Bleek ervan te getuigen dat de contactsleutel er nog op zat. De melkboer was bezig zijn levering in het douanehuis binnen te brengen. Het was een bestelwagen H Citroën, met een hoge snuit, een zwart radiator, een trapezium motorkap, een beige vrachtruimte van paardenhaar en met glanzende, zich verwonderende koplampen van antieke inleg, schijnbaar nooit ouder wordend. Het was een zinnelijk genot ermee rond te rijden, maar dat is bijzaak.
Fitzpatrick aarzelde niet, kroop achter het stuur, er waren geen portieren en maande ons naast hem te komen zitten, want vooraan was er plaats voor drie. Hij startte de motor en karde met knipperende pinklichten de baan op, in razende vaart onder een spoorwegbrug, waar net op dat ogenblik een vrachttrein passeerde met tankwagons : containers met visolie van Kirkland.
Er waren toevallig graafwerken aan de gang, een deel van de weg was afgezet. Een graafmachine diepte een kuil, elektriciteitskabels werden blootgelegd, er stond zo’n werktentje en een oranje gaas dat als omheining telde. Fitzpatrick stommelde er in grote vaart dwars doorheen, zodat er aan zijn banden grind opspoot en de gastarbeiders die werkten, van ontzetting opzijsprongen.
Fitzpatrick vroeg of ik het nummer van ene Kobayashi kon vormen. ‘Je vindt het onder de K,’ zei Fitzpatrick.
‘Waarom ?’ vroeg ik.
‘Hij kan ons helpen,’ zei Fitz haastig terwijl hij achteromkeek.
‘De pleuris,’ vloekte ik.
We werden achternagezeten door de douane. Die kwam even langszij in een jeep, maar toen we door de blokkade van de wegenwerken wurmden, sloeg die jeep overstag en kantelde in een diepe gracht.
‘Oké Fiona, krijg je hem aan de lijn ?’ vroeg Fitzpatrick.
Er rammelden kratten in de achterbak. Ik kreeg verbinding, er ging in de woning van die mysterieuze Kobayashi een rode telefoon aan het rinkelen. Ring…
We reden haastig, met stramme achteruitkijkspiegels en een zwarte nummerplaat 6504LZ91. Fitzpatrick waarschuwde zijn vriend alvast van onze komst. Kobayashi beloofde ons te treffen, net buiten Chinatown. Ahmed nam het stuur over, zodat Fitzpatrick vrijelijk kon praten.
‘Bij het standbeeld,’ hoorde ik Fitzpatrick.
Ahmed reed. Voor elke verkeersdrempel die hij kruiste, ging hij zo hard op de rem staan dat ons bovenlijf naar voren werd geslingerd, mijn hoofd bijna tegen het dashboard, en Ahmed lachte dan telkens : ‘Buigen voor Ahmed graag.’
De Maan was niet alleen een broeierige zolder, maar boogde ook op grote, ondergrondse watervoorraden. Er waren de Zeeën. De Maan was Eden. Als Stevie Wonder detecteerde ‘t een wonderlijke natuur, een punchline van geurend bayou, snaterende ooievaars en kwetterende roodhalsfuten. Het vergt tijd de bossen en de velden te bezingen, het ratelen van de ploegschaar, de geur van uienvelden en het witloof dat in het donker werd geteeld. Dit smaakte bitter, maar de voedingswaarde maakte er een lekkernij van voor kenners die ervan hielden.
Boeren gingen voor dag en dauw de akkers op om te zien of hun planten groeiden, of die nergens de weg naar de hemel versperd werd door een kluit aarde of een verdwaalde rots. Collies hoedden schapengroepen in de heuvels. Het geurde naar bussels peterselie en takkenbossen van wilgenhout. Rook kringelde uit boerenwoningen. Het zong de lof van bastaardzonen en migranten.
De Maan – was zijn tijd ver vooruit.
Hellende pilaren, geur van dampend glen, rot van onopgeruimde herfstbladeren, verkruimelde bast en schors van Libanonceders. Gelovigen kropen als een eekhoorn in het hout van een moskee, om er te bidden.
Ik drukte mijn neus tegen het autoraampje en keek. De moskee moonlightte als lazaret, waar besmette kranken verzorgd werden. Je hield scheepsvolk in quarantaine, omdat ze van de pest verdacht werden.
Fitzpatrick gaf aanwijzingen en Ahmed draaide parking Callebaut op, vlakbij Chinatown. Het was middag.
We stapten uit en zetten voet aan grond in een parkeergarage. Via een harde steile trap kwamen we bovengronds. Er was een bakker en ik kocht broodjes. Toen kwam Kobayashi eraan, hinkelde af op het standbeeld, de Trojaanse priester Laocoön, waarbij Fitzpatrick afgesproken had.
Kobayashi en Fitzpatrick groetten elkaar met een stevige schouderklop. ‘I said pirate !’ zei Hna.
‘I said what !’ riposteerde Fitzpatrick.
Hna Kobayashi had iets van een dondersteen, maar was geen bullebak. ‘Hier is je Walther P99,’ zei Kobayashi, ‘zoals gevraagd.’
‘Dank je,’ zei Fitzpatrick.
Fitzpatrick liet het wapen in zijn hand glijden en maakte een lichtende beweging, om de massa ervan te wikken.
‘Genoeg gekut,’ zei Kobayashki en maakte aanstalten te vertrekken, spoorde ons aan hem te vergezellen.
We gingen Chinatown binnen doorheen een poort met rode, hangende lampionnen. We werden overrompeld door dansende mensen. Er was een optocht, een Lantaarnfestival. Er werd met stokken een roodgroene draak in de hoogte gehouden, glibberend en glippend uit ons zicht.
Je zou zeggen : twee organen hadden een treffen met elkaar, waarbij het tijdsverloop voor de een anders was dan voor de ander. Het was niet zeker of Kobayashi zijn tijd trager zag dan de onze.
Tijdsdilatatie is het verschijnsel waarbij volgens een waarnemer de TIJD van een andere waarnemer TRAGER verloopt.
Toch ging het razendsnel. Voor je het besefte, zaten we in de drukte. Er waren de draken. Anderen dosten zich uit als vissenkop. Er klepperde een roze kunstgebit : Chinatown was stervende kou en het bochtenwerk van een vroeg zomerend drakenhoofd. Het sjouwde met Gilles van Binches van bamboe en superplastic. Er waren Voil Jeanetten, de sfeer was uitgelaten.
Fitzpatrick raakte aan de praat met zijn schoolvriend. Wetenschappers werkten aan een superbatterij. Fitz wilde er het fijne van weten.
‘Wat is er zoal waar van, Hna ?’
‘Naar wat ik erover gehoord heb, is het allemaal echt,’ zei Kobayashi.
‘Niet te geloven.’
‘Je zegt het,’ zei Kobayashi.
Hna zweeg en zei toen, ‘We moeten naar de Blauwe Motstraat in het noorden,’ had moeite zich te oriënteren. Het volgen van een dansende draak liet sporen na in je tegenwoordigheid van geest. Hna hield halt en draaide zich naar zijn gezellen. Hij keek een beetje radeloos van links naar rechts.
Kobayashi was de weg kwijt. Hij gaf dit ook toe, draaide zijn mobieltje heen en weer om de breedteas. In een verfomfaaid steegje zag ik een open deur, waaruit mij een scherpe geur tegemoetkwam. ‘Ik zal de weg vragen,’ zei ik.
Ik ging erop af en kwam terecht in wat zo te zien een scriptorium diende te zijn, tientallen Chinezen met zwarte vlechtjes in hun nek, die in een rijtje en op oude banken perkamentrollen aan het kopiëren waren.
Ze droegen stuk voor stuk, bijna ceremonieel, een zwarte mianguanklep op hun hoofd. En wat houten zonnebrillen bleken. Fitzpatrick liet mij.
Ze moesten mij achterna, in het scriptorium, want ik bleef een heel poosje weg. Ik benaderde een man die heel eerbiedig door de gangen tussen de schrijfbanken liep, iets corrigerend hier en daar.
‘Iedereen schijft hier ?’ vroeg ik, terwijl ik de man aankeek.
‘Wil u zich glaag ontdoen van een velzuchting, lady ?’
‘Nee ?’ probeerde ik.
‘We kunnen dat opschlijven,’ zei de man.
Ik paste mij aan aan het jargon van de man, zoals ik dat geleerd had op school. ‘Ik hou gele mensen in mijn hoofd,’ duwde ik.
‘Kan geen kwaad, geloof me,’ zei de mandarijn.
‘Ik zoek de weg naar Chinees restaurant De Zwarte Lotus.’ Ik kwam van rue le Duck, verduidelijkte ik, oriënteerde me, wist dat ik richting noorden moest, keek Hna onderwijl vragend aan, die naast mij was komen staan.
‘Moth Stleet,’ antwoordde de Chinese man, vóor Hna, ‘ken ik wel. Beloemde Pekingeend, goeie noedels, betele olie.’
De man legde heel makkelijk uit waar we naartoe moesten.
‘Olie ?’ vroeg ik. ‘Iedereen schlijft hier ?’ herhaalde ik.
‘In dit huis zijn het woolden die belanglijk zijn,’ antwoordde de man, die zich voorstelde als scriptor-meester.
Een soort chef d’antenne. Hij heette Fu Li. Ik praatte helaas mijn mond voorbij en vroeg de kerel of hij niet toevallig de locatie van Anasta de Schone wist. Dat kwam ervan als Fitzpatrick mij zo in het ongewisse hield.
‘Het is ons niet toegestaan paltij te kiezen,’ zei Fu Li, ‘wij zoeken loutel beglip en ontvluchten loze afleidingen.’
Ik wist het wanneer ik afgewimpeld werd. Voor sommigen was Anasta de Schone persona non grata.
We stonden weer op straat. In de verte kwam er de zon op boven rue le Duck. Het scriptorium bleek een dekmantel voor een opiumhuis, de nacht alweer weg als een kogeltrein.