Categorieën
Fictie

Te Laat

De dag dat hij boventallig verklaard werd deed hij zijn pak over de brede plastic hanger, trok er de bewaarhoes overheen en ritste ‘m dicht. Een bijzonder mooi pak was het niet, hij droeg het omdat hij geacht werd er verzorgd uit te zien, als medewerker in de buitendienst. Elk jaar sinds hij in dienst was getreden had hij een nieuwe gekocht, steeds in hetzelfde warenhuis, altijd zo voordelig mogelijk. Het pak zou hij nergens meer voor nodig hebben, net zomin als de stropdas die hij om zijn hand oprolde en naast de sokken in de la legde.
Nooit meer zou hij in zijn leaseauto een bedrijventerrein oprijden om in een kil kantoortje zijn presentatie te geven. Nooit meer zou hij met een zwierig gebaar het handige presentatiemapje ergens op een bureaublad zetten, met flair de geplastificeerde pagina’s omklappen en de interessante aspecten van zijn sales pitch met de punt van zijn ballpoint aanwijzen. Kijk hier.
Geen lunches meer bij de lokale Chinees, waar hij de inkoper op het papieren tafelkleed voorrekent hoeveel besparing het zou opleveren door met zijn bedrijf in zee te gaan. Eén biertje? Ok dan. De schuimkragen waren al ingestort voordat de glaasjes op tafel werden gezet.
Nooit meer het afwachten na het afsluitende handenschudden. Ging de telefoon, had hij de order binnen? Bleef het stil?
De dag na zijn ontslag fietste hij naar de tatoeageshop die daar al gevestigd was toen hij nog op school zat. Jongens en meisjes uit zijn klas lieten er tatoeages zetten. Een vogeltje, een hartje of een tekst in mooie krulletters. Hij niet. Hij hield er rekening mee dat zijn huid oud zou worden, ging hangen, dat er van de tatoeage niets over zou blijven, een lelijke vlek. Overwegingen die er niet meer toe deden.
De tatoeëerder liet een geschubde draak om zijn arm kronkelen, met een lange staart en vleugels. Af was het kunstwerk nog lang niet toen hij naar buiten liep, integendeel, hij zou een paar keer terug moeten komen.
Daarna waren zijn haren aan de beurt. Niet bij de besnorde herenkapper die hem elke maand netjes kortwiekte ‘zodat hij er weer een tijdje tegenaan kon’, met een scheiding rechts en verkoelende lotion in zijn nek. Dit keer ging hij naar binnen bij de hippe kapsalon waar hij altijd langskwam, waar de kauwgum kauwende kapsters buiten stonden te roken.
Gelukkig had hij zijn haar nog, al waren de inhammen misschien een beetje opgekropen. Het grijs moest zwart worden, de haren geknipt in wilde plukken. De kapster had nog lacherig gevraagd of zijn vrouw dat wel goed vond.
Die had al heel lang geleden helemaal niets meer goed gevonden.
Na het bezoek aan de kapper kocht hij een leren jack en zwarte jeans. Het jack was duur, als hij langer had gezocht had hij een ander kunnen vinden dat ook voldeed, voor minder geld, zodat hij meer overhield voor later. Waarschijnlijk zou dat verstandiger zijn geweest.
In een winkeltje waar toeristen exotische sierraden en hasjpijpen kochten liet hij gaatjes in zijn oren schieten. Hij kocht er twee zilveren oorringen en een T-shirt van een Amerikaanse punkband. Hij had ze jaren geleden op MTV gezien, ’s avonds op de bank met een bak afhaaleten op schoot. Een zonnige clip met wild uitgedoste jongens. Later draaide hij de cd in de auto, heel hard, als het werk erop zat en hij naar huis reed. De leasebakken wisselden elke drie jaar, de cd zat altijd in de cd-speler. Voor hij de sleutel van z’n laatste bedrijfsauto inleverde had hij de cd eruit gehaald, al had hij thuis geen apparaat meer om ‘m af te spelen.
Bij de bushalte waar hij volgens z’n vers gedownloade OV-app moest zijn, stonden jonge mannen en vrouwen te wachten. Ze waren gekleed naar het weer, droegen T shirts en topjes, afgeknipte jeans en korte cargobroeken.
Het was een heel gedrang voordat de laatste van de meute zich in de volle bus had gewurmd. De stemming was uitgelaten. Er werd gelachen, flessen met water werden volgens onduidelijke patronen doorgegeven. Hem bereikten ze niet.
De frisse buitenlucht die hem bij het uitstappen tegemoetkwam was een verademing.
Op het indrukwekkende festivalterrein vond hij na enig rondwerven een bar. Met de plastic beker vol bier zwierf hij wat verloren rond. Al die mensen! Groepjes liepen hem kwetterend voorbij, soms stootte iemand tegen hem aan die zich meteen verontschuldigde. Van alle kanten kwam geluid. Muziek, gepraat, geschreeuw, gejuich, brommende generatoren.
Hij passeerde tenten, een groot veld vol met mensen doemde op. Een zachtgeel waas van zanderig stof hing in de lucht boven de massa. Op het podium waren ze druk bezig alles klaar te zetten, mannen liepen heen en weer met kabels en microfoonstandaards. Af en toe kwam er een flard geluid uit de enorme speakers, dan weer hoorde hij het geroezemoes van de duizenden mensen op het veld. Langzaam maar zeker baande hij zich een weg naar voren.
Niet iedereen liet hem er zonder morren langs, er werd boos gekeken, sommigen maakten geïrriteerd een opmerking. Eén keer hoorde hij iemand achter hem oude lul roepen.
Zijn vers geverfde haren raakten doorweekt, het zweet liep over zijn wangen naar beneden. Af en toe gleed er een druppel over het leer van zijn nieuwe jack en landde op het dorre gras.
Vooraan was al het groen verdwenen, de mensen stonden op het aangetrapte zand. De mannen keken naar het lege podium of stootten elkaar aan om opmerkingen in elkaars oor te brullen. Eén vrouw zag hij, jong. Ze droeg hetzelfde T-shirt als hij.
Uit duizenden monden rees een overdonderend gejuich op, handen gingen de lucht in. De band kwam het podium oprennen alsof er geen tijd te verliezen viel. Met evenveel urgentie gespten ze de gitaren om. De geblondeerde zanger riep hallo! Meteen volgde het eerste gitaarakkoord. De mensen in het publiek sprongen woest op en neer, ze tolden in het rond. Soms kwamen ze tegen elkaar aan, ook hij werd geraakt door schouders en armen.
Hij begon net als de anderen te springen. Hij sprong zoals hij sinds zijn kindertijd niet meer gesprongen had. Steeds hoger, steeds sneller, op het jagende ritme van de band. Niets deed er nog toe, alleen de muziek en de energie die door zijn lichaam stroomde. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij zich voor het laatst zo gevoeld had, als hij zich al ooit zo gevoeld had. Eén met alle mensen om zich heen, alsof ie de enige mens op aarde was.
De doffe pijn, die er al een tijdje geweest moest zijn, nam steeds iets meer toe. Iets van binnen dat daar al veel te lang had gezeten knaagde een weg naar buiten, door hem heen, door zijn borstkas, door zijn hart. Tevergeefs hapte hij naar lucht, de lucht liet zich door hem niet meer vangen. Zijn linkerarm kon hij van de pijn niet meer bewegen. Zijn benen verloren alle kracht, hij viel neer, kwam terecht op zijn knieën, kantelde op z’n zij. De jonge vrouw met het T-shirt kwam naast hem zitten en keek hem in de ogen. Het leek of ze hem zag.
Anderen vormden een kring om hen heen, een beschermende haag tegen de springende meute. De vrouw riep iets naar de mensen achter haar, hij hoorde het niet. Niets meer. De muziek was verdwenen, zijn hartslag ook.
De vrouw drukte met twee handen op zijn borst, een paar keer. Ze legde haar lippen op de zijne, haar adem stroomde naar binnen. Te laat.

J. van Praag
Amsterdam