Categorieën
Fictie

Taxi Theo

Zijn hoofd was als een snelkookpan, had de dokter hem gezegd. Men neme wat herinneringen met een vleugje vervlogen tijden, je voert de druk wat op en voor je het weet ben je volledig van de kook. Hij kon er niet door slapen en wilde weten wat hij eraan kon doen. Een ommetje was de remedie: je gedachten verzetten, de bennen strekken en eruit. Theo luistert naar de dokter en zodoende maakt hij iedere nacht een wandeling door een donkere, stille stad, al dertig jaar lang.

Wanneer de kerklokken half twee slaan, gooit Theo het dekbed van zich af, slingert hij zijn benen over de bedrand en maakt hij zich klaar om naar buiten te gaan. Op een stoel naast zijn bed liggen zijn wandelkleren al klaar: een paar sportschoenen, een donkerblauwe trainingsbroek, een grote trui van zijn oude bowlingclub met op de borst de woorden ‘I’d like a strike’ en een opvallend, rood jack. Het is droog maar koud, leest Theo in de weersvoorspelling. Toch trekt hij zijn regenjas aan, want niks is zo verraderlijk als het weer. Hij loopt de trap af, opent de deur en snuift de frisse avondlucht op. ‘Heerlijk,’ fluistert hij tegen zichzelf en hij draait de deur achter zich op slot.

Het is een koude oktobernacht en er staat een straffe noordwesten wind. Bruine en rode bladeren bedekken de stoep en maken het trottoir verraderlijk glad. Theo ritst zijn jack tot bovenaan dicht, verstopt zijn gezicht in zijn kraag en steekt zijn handen diep in zijn jaszakken. Kou is niet erg, denkt hij bij zichzelf, zolang het maar droog is, dan vindt hij alles prima. Hij geniet van de verlaten wegen, de donkere huizen en de stilte van de nacht. Achter de meeste ramen is het zwart, maar in sommige kamers ziet Theo het geflits en geflikker van televisies. Het lijkt op vuurwerk: wondertollen en grondbloemen. Aan het eind van de straat slaat Theo linksaf en hij loopt richting de grachten. Al vanaf zijn eerste nachtelijke wandeling volgt  hij dezelfde route. Hij is immers niet op zoek naar avontuur, maar naar ontspanning: een manier om de stekker van zijn snelkookpan uit het stopcontact te trekken.

Bij de stoplichten loopt Theo rechtdoor, naar een met kerstverlichting versierde brug en terwijl hij de gracht oversteekt, passeert hij de gedenksteen voor een in het water verdronken studente. De overlijdensdatum is onbekend. Het plakkaat vermeldt alleen de dag waarop de jonge vrouw werd gevonden, die warme woensdagmiddag in mei. Theo weet het nog precies, het was de dag waarop zijn Mieke hem werd afgenomen. Altijd als hij de steen passeert, moet hij even aan haar denken. Zijn lieve kleine meid, die nooit een vrouw heeft mogen worden.

Wanneer Theo in gedachten verzonken de straat wilt oversteken, wordt hij op een haar na gemist door een voorbij razende Mercedes met een blauwe kentekenplaat. Het getoeter van de taxi echoot tussen de stenen puien van de historische panden en weerkaatst tegen de kleine kinderkopjes van de straat. Door het achterraam ziet Theo een glimp van een opgestoken middelvinger. ‘Idioot!’ Schreeuwt hij de auto na. ‘Zie je niet dat ik over een zebrapad loop?’ Maar hij neemt het de chauffeur nauwelijks kwalijk. Taxibedrijven hebben het tegenwoordig zwaar: de klandizie loopt terug en de concurrentie is moordend. Dat was in zijn tijd wel anders.

Hij genoot van zijn werk, de vrijheid, het rijden en het contact met de klanten. Even, heel even, spookte het door zijn hoofd om een eigen bedrijfje beginnen – alleen al omdat het zo lekker bekte: ‘Taxi Theo’ – maar hij durfde het niet en bleef in loondienst. Wel kocht hij een klein kentekenplaatje voor op het dashboard van zijn wagen en zodoende verspreidde zijn bijnaam zich als een olievlek van zijn collega’s naar zijn vrienden, tot iedereen hem Taxi Theo noemde, zelfs nog na zijn pensioen. Het verdiende prima, hield hem van de straat en sleepte hem door de dagen heen – al met al een prima beroep en een goede afleiding tegen de leegte en de eenzaamheid.

Theo loopt door, in de richting van de markt. Zijn dikke sleutelbos hangt zwaar in zijn rechter broekzak en bij iedere stap klinkt het rinkelende geluid van metaal op metaal. Het zorgt voor een ritmisch stramien, alsof hij door de straten marcheert als een gedisciplineerde soldaat. Aan het einde van de weg ziet hij het stadhuis opdoemen. Het grote, statige pand heeft iets spookachtigs, zoals het aan de voet van het donkere, verlaten plein staat – de plek waar hij vijfendertig jaar geleden zijn handtekening onder de trouwakte zette.

Hij was nog jong toen hij met Wil in het huwelijksbootje stapte, te jong misschien wel. Ze leerden elkaar kennen bij de bowlingclub en hij werd op slag verliefd op haar zorgzaamheid, zachte, blauwe ogen en lange, blonde krullen. Binnen een jaar trouwden ze en niet veel later was Wil in verwachting. Met haar donkere kant had Theo toentertijd nog geen kennis gemaakt, die kwam pas aan het licht nadat Mieke was geboren. Al snel herkende hij niks meer terug van de jonge, energieke vrouw die hij een paar jaar daarvoor ontmoette en tijdens haar slechtste periodes kwam Wil nauwelijks nog haar bed uit. Hij moest dan ook eerlijk toegeven dat haar dood niet uit de lucht kwam vallen, maar dat ze de kleine Mieke met zich mee zou nemen, had hij nooit verwacht. Na het ongeluk begon zijn slapeloosheid: zijn brein maakte overuren, zijn benen waren rusteloos en hij bleef maar woelen, draaien en kronkelen tot hij het niet meer volhield en weer eens naast zijn bed stond.

Bij het stadhuis slaat Theo linksaf, de hoofdstraat in en hij loopt langs de grote, donkere etalages van de winkels. Hij wordt altijd een beetje triest van een nachtelijke winkelstraat, met de zwarte ramen, de stalen rolluiken en de roerloze paspoppen. Toch loopt hij de straat altijd helemaal uit, iedere nacht opnieuw, alsof hij het gevoel van leegte bewust opzoekt. Het is een heldere nacht. De weinige bewolking is zo dun dat de sterren door de sluierplukjes heen schijnen en de maan werpt een fel wit licht op de glimmende, gladde straatstenen. Het is kouder dan hij dacht en hij heeft spijt dat hij niet zijn winterjas, maar zijn regenjack heeft aangetrokken. Uit zijn linker broekzak haalt Theo een pakje sigaretten, hij steekt er eentje op en neemt een langzame, diepe hijs. De tabak prikt in zijn mond en kietelt in zijn keel.

Aan het eind van de straat slaat Theo wederom linksaf en wanneer hij een man met een hondje ziet naderen, gooit hij snel zijn peuk op de grond om deze met zijn voet uit te drukken. Al jaren kan Theo alleen van een sigaret genieten wanneer hij alleen is – een vreemde gewoonte die hij van Wil heeft overgenomen. Ook zij was een stiekeme roker. De mannen groeten elkaar met een kort knikje. Ze komen elkaar geregeld tegen in het donker en Theo kent hem nog uit de tijd waarin hij zelf ook een hondje had.

Theo kreeg het mormel van zijn zwager, tegen de eenzaamheid, had hij gezegd. In eerste instantie vond Theo het een tuttig ding, een kruising tussen een teckel en een poedel die zijn zwager uit het asiel had gehaald, maar eerlijk is eerlijk, het was een uiterst loyaal en toegewijd beestje. Hij noemde hem Wimpie en nam hem overal mee naar toe, ook ’s nachts. Met Wimpie aan zijn zijde voelde Theo zich minder verloren wanneer hij ’s avonds laat door de stad struinde – dan was hij geen nachtelijke zwerver, maar gewoon een baasje met zijn hond. Toen Wimpie overleed, spoorde zijn zwager hem aan een nieuw hondje te kopen, maar dat wilde Theo niet. Hij hield van Wimpie en nu hij er niet meer was, kon hij niet worden vervangen. Net zoals hij van Wil hield en ook zij na haar overlijden niet konden worden vervangen. Zo was Theo dan ook wel weer. Hij was een uiterst loyaal en toegewijd beestje.

Nog een laatste keer slaat Theo linksaf en hij loopt zijn eigen straat weer in. Het is nog aardedonker. Toch ziet hij de buurvrouw haar auto instappen, ze heeft nachtdienst. Terwijl hij zijn hand naar haar opsteekt, hoort Theo de kerkklokken half vier slaan – een prima tijd om naar bed te gaan. Misschien lukt het hem om nog wat uurtjes slaap te pakken. Hij steekt zijn sleutel in het slot en voordat hij zijn huis binnen gaat, plukt hij een verdwaald blad van zijn schoenzool en stampt hij een paar keer hard op de grond om de modder van zijn sneakers te trappen. Het was een goede wandeling, denkt Theo bij zichzelf, geen regen, geen gedonder en geen gekkigheid, maar nu is het tijd om weer naar binnen te gaan. Hij stapt over de drempel, veegt zijn sportschoenen af aan de deurmat en doet de deur zachtjes achter zich dicht. Taxi Theo sluit de toko. Althans, voor vandaag.