Categorieën
Fictie

Stuiterbal.

Daar lig ik dan. Koud. Uitgestald op een kleedje tussen incomplete puzzels, oude computerspelletjes. In de schaduw van de racebaan die net als ik in geen tijden meer is aangeraakt. Ooit was ik zijn simpel geluk op de kermis, de troost op de verveling, ooit was ik uren vermaak.

Nu zie ik hoe andere gewillig naar me kijken, maar me niet meenemen. Alsof ik hun gedachten tegen me hoor schreeuwen. Dat ik maar tijdelijk ben en je mij toch vaker kwijt bent dan rijk. Ik word weggezet als cliché, druk. Weinig mensen willen mijn andere kant zien. Omdat ik geen kanten heb?
Het ligt niet alleen maar aan mij…

Als je je best doet om mij te begrijpen, dan weet je dat ik snel enthousiast ben en vol energie zit. Dat als je rustig met me omgaat, ik echt altijd weer bij je terugkom.

Ik weet dat ik onvoorspelbaar ben en onverklaarbaar van richting kan veranderen. Dat ik zelfs uit het niets onvindbaar kan zijn. Sorry, vaak begrijp ik mezelf dan ook niet. Dat is de bewegingsvrijheid die ik niet onder controle heb. Ik ben nou eenmaal snel extatisch als de ander heel opgetogen is.

Ik snap dat je gefrustreerd bent, maar vergeet niet dat je niet de enige bent die dit vervelend vindt.
Hoe denk je dat ik me voel? Dat ik soms beland op plekken waar het koud is en donker en ik het gevoel heb dat niemand naar me zoekt. Niemand me meer wil. Ik vergeten wordt op de momenten dat ik juist de ander zo nodig heb.

Misschien heb je gelijk, misschien was ik te tijdelijk voor jou. Misschien moet ik gewoon rustig wachten tot vanzelf de nieuwe rage aanbreekt.

Daar lig ik nog steeds, uitgestald op een kleedje. Ooit uitgezocht omwille van mijn opvallende buitenkant. De racebaan en het laatste computerspel worden weggepakt. Fijn, nu lig ik eindelijk in de zon. Ik laat mezelf opwarmen en doe wat ik leer, minder stuiteren.

Ik bewaar mijn geduld voor nieuwe avonturen. Ik geniet, van de kleine dingen in het leven.

Het komt wel goed.