Categorieën
Fictie

Strand

De golven buitelen over elkaar heen om het strand te bereiken, om als eerste haar voeten te mogen kussen, en haar te verleiden in zee te gaan met de donkerroze avondzon die op het punt staat gedoofd te worden. Maar ze verroert zich niet, blijft in de verte staren terwijl een man haar hals kust, langzaam de binnenkant van haar dijbeen streelt. Ze krijgt het warm, ze wil hem, alleen niet hier. De kans dat iemand hen ziet op dit verlaten strand is klein. Ze meende echter iets te horen, een jammerend kind of een meeuw; ze is niet zeker en neemt hem mee naar een douchehokje verderop. Licht ontbreekt en ook wanneer ze weer naar buiten komen, is het pikdonker.

Het was de eerste keer voor haar, met hem, op deze plek. Of eigenlijk: de enige keer. Alles gebeurt maar één keer, of nooit, bedacht ze vorige week toen ze alleen over de boulevard wandelende. Hoe de wind haar haren liet wapperen, hoe de wolken overraasden, hoe een hond naar haar blafte, wat er in haar hoofd omging, zij was de enige die het meemaakte, de rest van de mensheid niet, en nooit zal dezelfde situatie zich weer voordoen. Ze glunderde, besefte dat het leven, haar leven, iets heel bijzonders was.

Na die wandeling heeft ze hem ontmoet in een koffiebar. Zijn gezicht, zijn zwarte krulletjes en de onzekere manier waarop hij het kopje voor haar neus zette, bevielen haar wel. Ze zocht oogcontact en glimlachte voorzichtig wanneer ze zijn blik vond. Dit was een beproefd recept, toch verbaasde ze zich er telkens over hoe makkelijk ze de touwtjes in handen kreeg. Hij keek angstig en zij wist dat het goed zat. Genoeg voor nu, dacht ze, morgen terugkomen. Dat deed ze.

Met een blos op haar wangen die niemand ziet, die alleen zij voelt, loopt ze met hem over de houten vlonders naar het verharde pad. Zij had hem gevraagd. Of ze een keer wat zullen gaan drinken. Nu staan ze tongend tegen een muur. Het is precies gegaan zoals zij wilde en hij was niet tegengevallen. Ze gaat met hem mee naar huis, hoort nog even het geruis van de golven voordat ze de deur van de auto dichtklapt. Een zee van licht vult de parkeerplaats en ze zien de paaltjes die het begin van de boulevard markeren. Ze rijden de andere kant op, naar een plaats die zij niet kent. Hij wordt verrast door een hand op zijn kruis. De spanning van het nieuwe, dat constant gebeurt of staat te gebeuren, ze voelen het allebei.