Categorieën
Fictie

Straks slaat de klok het halve uur

Verrekt hij net z’n nek omdat hij in zijn elleboog nieste. Een maatregel die godbetere is bedacht om mensen van zijn leeftijd uit de IC’s te houden. Gelukkig is de fysiotherapeut nog open. Niet dat hij graag de deur uit gaat in deze tijden, hij houdt het bij het bejaardenuurtje in de supermarkt. Eens per week, zoveel eten ze ook weer niet met z’n tweeën en hij weigert mee te doen aan die wc-papiergekte. En anders is er altijd nog botol tjèbok: de meest hygiënische manier om je billen schoon te maken. Hij heeft het opgegeven om dit uit te leggen aan wie niet in Nederlands-Indië is opgegroeid. Daar was deze hele lockdown overigens geen probleem geweest. De kokkie deed de boodschappen.

Voor het eerst in 54 jaar zei Marjan geen ‘gezondheid’. Meestal doet ze dat nog voordat hij niest, zelfs al zijn ze in verschillende kamers. Net zoals ze zijn zinnen invult voordat hij is uitgesproken. Dus da’s gek, dat ze nu zo zwijgt. Ze zit op het linkergedeelte van de bank. Ook in hun vorige, grote, huis was dat haar plek. Haar hoofd hangt een beetje naar beneden, de ogen dicht – of geconcentreerd gericht op de iPad op schoot, dat kan natuurlijk ook. Dat zal het zijn.

Ze praat nooit níet, alles moet gezegd, hardop. In de auto ook. Rijden ze langs een winkel, beschrijft ze de etalage met de energie van die vent van de Wiekentkwis. Kom hoe heet die knakker ook weer, die de prijzen aanwees onder luid ge-ooh en -aah van het publiek. Toen mensen nog wild werden van een vaaslamp of een snelkookpan, je kunt het je nu niet meer voorstellen. Straatnamen, reclameborden, iemand die op een kennis lijkt met toevallig ook dezelfde fiets: wat haar ogen zien, komt als een niet-aflatende ondertiteling haar mond weer uit. En ondertussen commentaar. Dat hij te dicht bij de stoep rijdt of te langzaam optrekt. Steeds vaker heeft ze gelijk, dan ziet hij net die brommer niet waar zij voor waarschuwt of schat hij de snelheid van zo’n verdomde elektrische fiets verkeerd in.

Hij hoort kinderen spelen. Niet naar school en toch voetballen, dat was voor hem in de oorlog net zo. In hun dorp op West-Java waren alle vaders weg. Hij kon zich die van hem niet eens herinneren. Als KNIL-officier krijgsgevangen afgevoerd naar Hainan, maar dat hoorde hij veel later natuurlijk pas. Ondertussen had hij het prima naar z’n zin in een huis vol vrouwen die van hem hielden. Een oma, een moeder en een tante. ’s Middags moesten de volwassenen thuisblijven maar zijn broer en hij hadden een pasje gekregen om buiten te spelen. Tot zijn moeder werd weggehaald door de Kempeitai. Zes, zeven Jappen, stuk voor stuk een kop kleiner dan zij, bajonetten in de aanslag. Die komt wel weer terug, dacht hij en ging weer spelen. Maar ze kwam niet.

Pierre! Dat was ‘m. En Pierre… wat valt er te winnen? Of zoiets. Assistent van Fred Oster. Ha, zo seniel is hij ook weer niet. Als niemand hem in de rede valt, lukt het hem prima om z’n punt te maken. Of was het Gaston? Was Pierre van Willem Ruis? Marjan weet het wel, die zoekt het zo op, op haar iPad. Straks even vragen. Kan ze meteen kijken of de fysiotherapeut een bejaardenuurtje heeft, voor z’n nek.

In het jaar dat zijn moeder in de gevangenis zat, heeft hij haar één keer bezocht. Op haar verjaardag gingen ze een taart brengen, zijn tante en hij. Bij de ingang zat een officier, een inlander, die hen wegstuurde. Op dat moment werd er ineens iemand gemarteld in een andere kamer, er klonk keihard gegil. Hij begon te huilen. Zijn tante begon te huilen. En van de weeromstuit begon de officier ook te huilen. Toen mochten ze de taart toch achterlaten. Niet lang daarna werd zijn moeder vrijgelaten. Tot op de dag van vandaag denkt hij dat zijn gehuil haar heeft gered.

De laatste jaren dommelt hij ook vaak zomaar in op de bank. Valt z’n hoofd achterover en voor je het weet krijgt hij een zetje omdat hij snurkt. Al na een minuut, langer is hij echt niet vertrokken al beweert Marjan van wel. ‘Ga dan gewoon even in bed liggen’. Nee zeg daar begint hij niet aan, dan is het einde zoek. Hij kijkt op de klok. Erfenis van z’n schoonouders, een aanstellerig ding dat elk half uur slaat. Kwart over twee. Om half drie zal ze wel wakker schrikken.

Naar de keuken dan maar. Thee zetten. De vogeltjes bekijken in de hibiscus voor het raam. Die hebben me toch een feest, kwetteren door alsof er niets aan de hand is. Tot ze worden neergeknald door een stel Japanners. Hij heeft het zelf gezien, op zoek naar z’n bal bij de grote boom op het plein. Ze schoten de vogeltjes, plop, zo uit die boom. Met een naald regen ze de beestjes aan een draad en onder de boom gingen ze ze zitten plukken en oppeuzelen. Rauw. Het coronavirus is ontstaan door hoe wij met dieren omgaan, zeggen wetenschappers. Vooral in Azië. Dat had hij ze in 1944 al kunnen vertellen.

Hoe lang gaat deze toestand nog duren? De dagen lijken op elkaar met een onzichtbare vijand die zich verschanst achter de bomen, de auto’s, huizen, de hele straat. Die kleeft aan handen en ellebogen en winkelkarretjes. Het is oorlog, zeggen de mensen die er nooit eentje hebben meegemaakt.

Zijn oorlog begon pas na de oorlog. Geen minister-president die je bemoedigend toesprak. Een mitrailleurspost voor het huis met twee Gurkha’s, daar moesten ze het van hebben. Toen die werd opgeheven brak de pleuris uit. Kwam de hele dessa verhaal halen, fakkels en stokken in de hand. Ooms, tantes, zijn moeder, zijn oma, zijn broer: met z’n dertienen vluchtten ze als ratten het schoonmaakhok in. De buren kwamen er ook bij met een hond en een haan die hen anders blaffend dan wel kraaiend zouden verraden. Vanonder een oude tafel keek hij omhoog. Hij zag hoe één oom met de handen hoog en de ogen stijf dicht Onze Vaders op de groep afvuurde, als kogels uit een machinegeweer. De inlanders sloegen het hele huis kort en klein maar niet hun hok.

Hij schrikt op van het kolkende geluid van de waterkoker, gevolgd door de harde klik. Morst bij het inschenken. Pakt het gebloemde dienblad dat van zijn moeder is geweest. Nog even en hij is net zo oud als toen zij stierf. Een vrolijke oude vrouw die rookte en dronk dat het een lieve lust was. Het enige wat ze over haar gevangenistijd losliet, was dat ze had leren tapdansen. Nooit is er één jammerklacht over haar lippen gekomen.

Was hij maar zo. ’s Ochtends gaat het nog, maar hoe langer de dag duurt, hoe meer donkere gedachten hem overvallen als onaangename regenbuien. Er hoeft tegenwoordig maar iets te gebeuren – de bal van de buurjongen die in z’n viooltjes terechtkomt, een brief van de verzekering met een bedrag dat niet klopt – of er bouwt zich een woede in hem op die hij niet meer van zich af weet te schudden. Marjan klaagt dat hij deze weken erger is dan anders. Hij weet het maar hij kan er niets tegen doen.

Straks slaat de klok het halve uur. Dan kan hij vragen of Pierre van Fred Oster was en Gaston van Willem Ruis of andersom. Ze zal in de keuken mopperen dat hij gemorst heeft. En direct zien dat hij met z’n goeie broek in de tuin heeft gewerkt. Hij gaat naast haar op de bank zitten, zet de thee alvast neer.