Categorieën
Fictie

Stemband

Na vijf weken en meer dan twaalfhonderd pogingen vond hij haar. Het zou voor de hand liggen om te denken dat hij er op dat moment niet meer op had gerekend, maar dat was geenszins het geval: hij wist dat hij haar zou vinden, hij was ervan overtuigd dat zijn doorzettingsvermogen het zou winnen van de frustratie over de niet aflatende afwijzingen die hij al die tijd moest aanhoren. Van radeloosheid was geen moment sprake geweest, na iedere kortsluiting – hoe pijnlijk en intens ook – wist hij zich te vermannen en nam hij na een korte pauze het toestel weer ter hand om het opnieuw te proberen.
Dat de pauzes belangrijk waren, ontdekte hij als snel. Aan het eind van de eerste dag was hij uitgeput geweest, alsof hij een marathon had volbracht, een elfstedentocht over het stroeve ijs van de kanalen en meren uit zijn jeugd, zacht geworden en bedekt met plassen na het invallen van de dooi. Hij zag in dat hij regelmatig een kort moment van rust moest inlassen, waarin hij iets dronk of at en waarin hij zich opmonterde voor het volgende nummer op de lijst.
Hij deed onvermoede ontdekkingen, als bijvangst bij de dagtaak die hij zichzelf had opgelegd. Zo bleek zeventig procent van degenen die de telefoon opnamen een vrouw te zijn en niet de vijftig procent die hem logisch scheen. Dat vond hij opmerkelijk. Maar het was vooral praktisch, want hij had geen boodschap aan mannen. In het begin nam hij nog de moeite om zich te verontschuldigen bij iedere mannelijke stem en te beweren dat hij het verkeerde nummer had gebeld, maar al spoedig liet hij dat fatsoen los en verbrak het contact al na de eerste masculiene toon. Niet veel later werd hij nog minder welgevoeglijk en sloot het gesprek kort zodra de stem aan de andere kant hem niet beviel.

Hij had al eerder gedacht haar te hebben gevonden. Reeds op de vierde dag, de honderdzesentwintigste verbinding sinds het begin van zijn odyssee, kreeg hij gehoor bij Evi. Zij was de eerste die niet al na vijftien seconden de converstatie verbrak. Geduldig hoorde ze zijn inleiding aan en antwoordde vriendelijk, met de zachte, lieflijke stem die hij zocht. Lachend sprak ze de versregels uit die hij haar opgaf, zonder hem te vragen wat hem wel bezielde om een dergelijk vreemd verzoek te doen. Alle anderen waren op dit punt, maar meestal veel eerder, afgehaakt. Met het intiemer worden van de conversatie werd de kleur van haar stemklank echter doffer en klonken haar woorden ruwer in zijn oren. De verandering in de toon van haar stem leidde hem af, hij nam steeds minder op van wat ze hem vertelde. Wat hem aanvankelijk als prettig en minzaam in de oren had geklonken, schoof op naar verontrustend, daarna naar onaangenaam en tenslotte naar weerzinwekkend. Hoe had hij zichzelf wijs kunnen maken dat dit de stem was die hem weer gelukkig kon maken? Het leek of Evi zijn nog onuitgesproken afwijzing had voorvoeld, want ineens rondde ze op zakelijke manier het gesprek af en verbak de verbinding.
Daarna volgden vier weken van vruchteloos bellen. Zijn handelingen werden steeds mechanischer – het intikken van het volgende nummer op de lijst, het wachten op een respons, het razendsnel analyseren van het stemgeluid, het berusten in alweer een nederlaag, het afkappen van het gesprek, het doorstrepen van het nummer op de lijst – maar hij kon niet anders dan met stoïcijnse volharding doorgaan, zijn missie zou slagen, al moest hij maanden volhouden, met door artrose aangetaste vingers en een door scheldkanonnades afgestompt gemoed.

Susanne sprak haar woorden weloverwogen en met grote precisie uit, alsof ze iedere syllabe toetste alvorens die te laten consumeren door haar toehoorder. Het zangerige in haar stem bekoorde hem meteen en hij hoopte vurig dat het veelbelovende begin van de conversatie niet op een nieuwe teleurstelling zou uitlopen. Susanne was bereid om de versregels te reciteren op de manier die hij haar instrueerde, maar op voorwaarde dat hij haar uitlegde waar deze merkwaardige opdracht vandaan kwam.
“Mag ik raden? Zeg maar of ik gelijk heb. Doet mijn stem jou denken aan de stem van een dierbare, aan de stem van iemand die er niet meer is, die jij intens mist?”
De tranen sprongen spontaan in zijn ogen, zonder aankondiging, hij kon er niets aan doen en hij liet het zoute vocht zonder schroom over zijn wangen vloeien; als hij ze had willen bedwingen, zou hij daarin gefaald hebben.
Was het niet wonderbaarlijk dat Susanne zijn intentie zo feilloos aanvoelde? Zo voorspelbaar was hij toch niet, zijn verzoek was toch voor velerlei uitleg vatbaar? Dit kon alleen maar betekenen dat Susanne de uitverkorene was, de langverwachte, de vrouw met de vergulde stemband naar wie hij zo lang op zoek was geweest.
“Ja”, antwoordde hij gedwee. Het was onnodig om haar duidelijk te maken wier afwezigheid hij al zo lang moest verdragen. Ze lachtte zacht, met gepaste bescheidenheid.
“Ik kende deze versjes vroeger uit mijn hoofd,” legde ze uit, “in mijn geval was het juist mijn vader die ze iedere avond voor mij zong. Maar vertel eens, kon jouw moeder mooi zingen?”
“Heel erg mooi, ik mis haar prachtige stem nog iedere dag, vooral dat moment voor het slapen gaan.”
Het gesprek had het kritieke niveau van vertrouwelijkheid inmiddels gepasseerd. Met warme voldoening stelde hij vast dat haar stem hem niet bedroog; de klank, de toon, het tempo waren van een bewonderenswaardige constantheid. Het was een stem die in volmaakte harmonie stond met de herinneringen aan zijn moeder.
Toen hij haar vertelde over de vergeefsheid van zijn woeste pogingen van de afgelopen vijf weken, over de lijst met telefoonnummers (louter priemgetallen, want hij was er zeker van dat alleen die succes konden garanderen), over haar duizendtweehonderd zevenenveertig voorgangers, die allemaal hopeloze kandidaten waren gebleken, barstte ze uit in een luide schaterbui.
“En wat gaat er nu gebeuren?”, vroeg ze zich af. “Ik hoop toch niet dat het bij dit gesprek zal blijven.”
Hij stelde haar gerust, er zouden wat hem betreft nog heel veel gesprekken volgen.
Buiten begon het te schemeren. Er viel een fijne motregen, de minuscule druppels leken eerder te zweven dan te vallen en vormden een dunne nevel die de duisternis vroeg inleidde. Het was de eerste keer die dag dat hij zijn blik liet afdwalen naar de wereld buiten de muren van zijn woning.
Zou die goede, onbezorgde tijd dan toch weerkeren, dat heuglijke tijdperk waarin zij versjes zou voordragen, iedere avond, in de meest bevallige toonaarden, voortgebracht door die wonderbaarlijke, gouden stembanden?

Zij stelde voor om in de stad iets af te spreken, ze zouden samen koffie kunnen drinken en nader kennismaken. Zij wilde hem graag ontmoeten en meende dat ook hij ernaar verlangde om het gezicht te zien dat bij haar stem hoorde. Want, zo redeneerde ze, een stem wint aan kracht en bezieling wanneer je de lippen ziet die haar voortbrengen en contact kan maken met de ogen die haar ondersteunen.
Het voorstel verbaasde hem niet, hij had er rekening mee gehouden. Hij moest er eigenlijk trots op zijn, het was het glorieuze slotstuk van de eerste acte, meer nog dan een liefdesverklaring.
Het viel hem niet licht om haar verzoek af te wijzen, hij wist ook niet goed hoe hij zijn weigering moest verwoorden.
“Het spijt mij Susanne, maar hierin moet ik je teleurstellen. Ik wil niets liever dan je beter leren kennen, ik wil je iedere dag ontmoeten, alle momenten van de dag met je delen, maar dan alleen je stem.”
“Waarom?”
“Omdat jouw verschijning mijn herinnering in één klap zou vernietigen. Ik ben dolgelukkig dat ik jouw stem heb gevonden, dat is alles wat ik verlangde. Het zou onzinnig zijn om te verwachten dat ook jouw lichaam met het beeld in mijn herinnering overeenstemt. Ik weet, het klinkt raar, je zult het vast niet begrijpen …”
“Toch wel”, zei ze zacht, “maak je geen zorgen. Dat ik je niet zal zien deert mij niet, ik heb nog nooit in mijn leven iemand gezien. Maar dat ik je niet kan voelen, jou niet van nabij kan gewaarworden, jouw geuren niet kan opsnuiven, dat zie ik als een groot gemis. Maar als jij dat zo wenst, zal ik mij daarnaar schikken.”
Hij moest haar antwoord enige tijd op zich laten inwerken om te begrijpen dat Susanne, net zoals hijzelf, opgesloten zat in een wereld die kleiner was dan die van anderen. Ze verzekerde hem dat ze als een kind gelukkig was met hun overeenkomst van wederkerigheid. Nee, het was geen probleem om hem iedere avond sprookjes voor te lezen en hem met slaapliedjes in een sluimering te sussen, als zij maar zijn stem mocht horen, zijn adem mocht voelen en zijn glimlach mocht afleiden uit de stiltes tussen zijn woorden.
Hij beëindigde met voldoening het gesprek en vroeg zich af hoe lang Susanne hem zou bekoren. Haar behoefte aan gezelschap en intimiteit gaf hem de hoop dat hun band sterker zou blijken dan die tussen hem en haar voorgangers.